Reacties lezers op katern Mens&

Reactie op ‘Waarom een mens beter monogaam kan zijn’ door Bram Bakker in Mens&, di. 8 mei 2012

G.Braakman, Cothen: ‘Bram Bakker slaat de spijker op zijn kop in zijn artikel over “internet seks”. Porno verslaving is een slechte ontwikkeling en is in veel relaties een bedreiging voor de intimiteit waarin een relatie tot bloei kan komen. Maar….. er is veel meer aan de hand. De enorme schaal waarop internet seks plaats vind is een taboe. We hebben de neiging om de ogen ervoor te sluiten. Het is een niet te stoppen ontwikkeling omdat er een explosief huwelijk aan te grondslag ligt: seks en commercie. Er valt veel geld geld te verdienen aan nieuwe manieren om intimiteit te faken, met kunstmatige vagina’s, kunstmatige aanraking.
“De intimiteit gaat verloren” is een klacht die je al eeuwen hoort. Het boek was de doodsteek voor de intimiteit van het verhalen vertellen. Belangrijke situaties waarin je  intimiteit kon ervaren zijn de afgelopen eeuwen een zachte dood gestorven. Rampzalig, want intimiteit is iets wat je moet leren en oefenen. De pseudo  intimiteit die je in films en boeken ervaart kan het verlies aan echte intimiteit niet vervangen en maakt dat verlies juist schrijnender en meer voelbaar.
Gelukkig is nog de verliefdheid, de onweerstaanbare drang tot intimiteit. Misschien. Verliefdheid kan zo sterk zijn dat het een onhandige stuntel in een gepassioneerde minnaar veranderd. Maar toch, het lijkt wel of onze maatschappij al zijn kaarten op verliefdheid en romantiek zet. Het wordt een cultus, een onmisbaar tovermiddel. Dat is een te zware taak voor verliefdheid, dat kan ze niet aan.’


Reacties op ‘Naar de crèche? Wat nog een jaar!’ in Mens&, di. 17 april 2012
 

Mevr.drs. M.L.Ladan-Uittenbosch: ‘Met aandacht heb ik het artikel van Marilse gelezen en ik ben het volledig met haar gedachtes eens. Ik zou het zelfs uitbreiden naar de eerste twee jaar van een baby.

Er vinden in die twee jaar zo ontzettend veel ontwikkelingsstappen plaats, die echt de zorg, aandacht en ondersteuning van een betrokken ouder nodig hebben.

Ik ben klinisch ontwikkelingspsycholoog en kinder- en jeugdpsychotherapeut en ik noem de problemen met kinderen die bv vanaf hun 3e maand in een kinderdagverblijf zitten, full time, zelf ,in middels het “kinderdagverblijf syndroom”. Dus ik onderscrhijf jouw visie volledig en ik zal met aandacht je boek straks gaan lezen over dit onderwerp.’

H. Wiegmans, arts: ‘Het zal slechts incidenteel zijn dat omwonenden van een kinderopvangcentrum reageren. Toch zijn de omwonenden degenen die de gang van zaken in een kinderopvang het beste kunnen beoordelen. De ouders droppen immers de kinderen in de ochtend om ze ’s avonds weer op te halen. Wat er in de tussentijd gebeurt kunnen zij veelal niet beoordelen.

Ik ben zo’n achterbuurman die veel last heeft van het schreeuwen en gillen van de kinderen maar ik ben ook tot de conclusie gekomen dat dat gedrag veroorzaakt wordt door te weinig aandacht van de begeleiders. Met drie of vier man op een bank zitten, het weekend besprekend, soms een uur achtereen, impliceert dat er geen tijd is voor de kinderen. Die gaan dus gillen en schreeuwen en worden incidenteel gecorrigeerd door begeleiders die naar de kinderen schreeuwen dat ze niet moeten schreeuwen. Wat te denken van de directeur/eigenaar die buiten zijn terrein op de grond ligt te roken. Wat te denken van de directeur/eigenaar die zijn auto structureel parkeert voor de achteruitgang van het kinderdagverblijf op een plek waar officieel niet geparkeerd mag worden en dat volgens de concept vergunning niet mag vanwege het blokkeren van vluchtroutes en invalsroutes voor brandweer en ambulances in geval van een calamiteit. Wat te denken van een kinderdagverblijf dat op 1-1-2011 de deuren opende terwijl de brandweer de zaak te gevaarlijk vond om positief te adviseren over het afgeven van een vergunning en nog steeds zonder officiële vergunning opereert.

Kinderopvang is commercie geworden. De eerste de beste fritesboer die meer kan verdienen met kinderopvang gaat dat doen. Vreemd dat als je 5 jaar bent je in het officiële circuit terecht komt met scholen die in stichtingsvorm gegoten zijn, geen winstoogmerk hebben  en streng gecontroleerd worden door de overheid. Van 0 tot 4 ben je aan de commercie overgeleverd met alle gevolgen van dien; kijk maar naar de zaak Robert M, maar er is veel meer bagger in de sector.

Naar mijn mening moet de kinderopvang in hetzelfde regime als het reguliere onderwijs worden opgenomen. Dat is ook niet heilig maar stukken beter dan de huidige constructie.

Ik hoor de directeur/eigenaar nog zeggen: “wij voeden niet op, dat is aan de ouders”. Zorgen voor kinderen is echter ook het bijbrengen van normen en waarden over de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Als we al zover zijn gezakt is de kinderopvang van nu de basis voor een volstrekt losgeslagen samenleving van de toekomst.’

Mark Bakkers: ‘Ik vraag me af of de huidige marktwerking binnen de kinderopvang (KO) de kwaliteit binnen de KO ten goede komt. Voor mij gaat het als ouder primair om de kwaliteit (lees het vertrouwen in de kwaliteit) van de KO. De grotere vraag naar kinderopvang tot 1 jan 2012 heeft het aantal kleine en grote kinderopvang-bedrijven/stichtingen doen toenemen. Door deze toename in KO’s zie je soms door de bomen het bos niet meer wat betreft kwaliteit. Bovendien had je te maken met schaarste dus een plekje bemachtigen was vaak eerste prioriteit.

Mijn ervaring is dat je als beginnend ouder niet weet waar je op moet letten bij de selectie van je KO. Vaak ben je op dat moment meer bezig met de zwangerschap en de komst van je (eerste) kind, dan met de kwaliteit van de KO.

In april 2011 werd ik als onderdeel van de oudercommissie met de neus op de feiten gedrukt toen via een stagiair negatieve berichten ten aanzien van de kwaliteit van de opvang doorkwamen. Op dat moment gingen onze jongste zoon van bijna 2 jaar en oudste zoon van 4 jaar drie dagen per week naar deze KO vestiging. Enkele weken later was onze kinderopvang in het nieuws onder de kop: “Maatregelen GGD na mistanden crèche”. Ik kan je vertellen dat de grond volledig onder je voeten wegzakt. Je vertrouwen in je KO is volledig weg.  Hoewel de waarneming dat je kinderen bij brengen en halen leuk spelen nog enig geruststelling geeft. Bij mij brak een periode aan van situatie analyseren, rationaliseren en intuïtief handelen. Dat laatste uitte zich in het opzoek gaan naar een nieuwe KO. Een nieuw geschikt plekje vinden is niet gemakkelijk  en wordt door veel ouders als een drempel ervaren (bovendien kan opzeggen niet per direct, omdat de opzegtermijnen in de KO vaak boven de 2 maanden liggen).

Gelukkig kreeg ik het vertrouwen terug via een oud studiegenootje wat bij een grote KO (Compananny) werkte. De volgende punten zorgde voor het terugkeren van vertrouwen en zijn volgens mij belangrijke selectie criteria die je (als nieuwe ouder) kunt hanteren:

1)      Het percentage hoogopgeleide leidsters en/of zeer ervaren leidsters binnen de KO.

2)      De mate waarin het pedagogisch beleid in de praktijk zich uit binnen de KO.

3)      Het hebben van aparte baby en peutergroepen met speciale aandacht voor de ontwikkeling van de baby/peuter.

4)      De aanwezigheid van een gezonde (warme) lunch maaltijd.

5)      Een 100% gevoel van vertrouwen hebben in de leidsters en de KO.    

Het eerste punt kun je redelijk objectief toetsen. Bij de vestiging van de oude KO waren de meeste leidsters jonger dan 25 jaar, onervaren en laag opgeleid. Het ontbrak aan een ervaren (senior) leidster die corrigerend kan optreden ten aanzien van de jongere leidsters indien nodig. Het tweede punt, pedagogisch beleid, was bij de oude KO op papier aanwezig, maar de leidsters kende het beleid niet goed en handelde er niet naar. Ter illustratie, bij de rondleiding werd gewezen op indeling, uiterlijk en speeltjes die aansluiten bij het pedagogisch beleid. Bovendien sluit het beleid aan bij onze visie op opvoeden. Op het KO is het boekje “How to talk with kids”, wat ik net zelf had gelezen, verplichte kost voor alle leidsters.

Het derde punt komt met ervaring. Onze oudste zoon was bijna 4 jaar en zou in augustus naar school gaan. De vestiging van de KO was relatief klein en hierdoor kon eigenlijk geen aparte peutergroep worden gemaakt. We merkte dat op de oude KO de verticale groep in de praktijk een gedwongen keus is. Onze oudste zoon was op sommige dagen relatief alleen was als peuter binnen een groep jongere kinderen. Hierdoor was er naar onze mening niet genoeg uitdaging en aandacht voor zijn peuter ontwikkeling. Punt vier komt neer op gezonde voeding en een adequaat snoepbeleid. Onze ervaring is dat onze kinderen meer warm eten tussen de middag dan ‘s-avonds.

Het laatste punt is denk ik het meest belangrijke en puur intuïtief, een goed gevoel van vertrouwen hebben dat je kind veilig is en goed wordt verzorgd. Mijn vrouw is half Fins en ik denk dat Nederland veel kan leren van het Scandinavische model van kinderopvang en onderwijs. Kinderopvang wordt in Scandinavië vanuit de overheid samen met de werkgever goed geregeld zonder marktwerking.

 Uiteindelijk is de overgang van oude naar nieuwe KO goed gegaan. De jongste van net 2 jaar hebben we verteld dat hij naar een peutergroep (voor oudere kindjes) ging. De oudste heeft 2 maanden kunnen overbruggen bij Oma en Opa (de beste opvang natuurlijk in de meeste gevallen) voordat hij na de zomervakantie voor het eerst naar school is gegaan.’

Marcel Rijs: ‘De stelling is van het kaliber: ‘Mensen raken gestresst door werken, dus stop met werken.’ Op zich helemaal waar natuurlijk, maar de praktijk is zoals vaker weerbarstig. Wij hebben onze samenleving de laatste jaren zodanig ingericht dat vader en moeder moeten werken, omdat ze anders het huis en de kosten voor het levensonderhoud niet meer kunnen betalen. (Voor eerdere generaties was een dubbel inkomen een ‘luxe’, nu is het ineens een ‘must’ geworden.)
Bij afwezigheid van (jonge) grootouders en andere netwerken is de crèche een onvermijdelijke oplossing.
Gelukkig levert een crèche niet alleen stress op: kinderen, ook baby’s, leren al op vroege leeftijd om te gaan met ‘vreemden’, waardoor ze in de regel ook minder gestresst worden in de omgang met leeftijdsgenoten op latere leeftijd. Het is misschien een schrale troost, maar ouders moeten zich tegenwoordig vastklampen aan dit soort strohalmen - of dakloos worden.’

S. van Limburg Brouwer: ‘Ik ben het helemaal eens met Marilse Eerkens en ben blij met haar onderzoek en boek. De mening van Chantal Kemnes met betrekking tot stress vind ik erg kort door de bocht en getuigt naar mijn mening van ongevoeligheid voor jonge kinderen. Hoezo betekent blootstelling aan stress als baby dat een kind later voorbereidt is op spannende situaties? Een baby kan stress toch helemaal niet plaatsen, laat staan verwerken ten gunste van latere ervaringen?’ 

……

Reactie op Mens&-special over ‘de ziel‘, t.g.v. Maand van de Filosofie, di. 17 april 2012

Digna Hintzen-Philips, Wassenaar: ‘Ik lees het katern Mens& altijd met interesse, maar het nummer over de ziel vond ik nogal teleurstellend.  Waarom bijvoorbeeld geen woord over het onderzoek van cardioloog Pim van Lommel, die in zijn boek Eindeloos Bewustzijn iets beschrijft wat zeker slaat op het bestaan van een ziel.

En ook niets over het verschijnsel reïncarnatie (= zielsverhuizing)  en de ervartingen met regressietherapie?

Misschien was het katern zuiver filisofisch bedoeld, maar daardoor werd het wel oppervlakkig en beperkt.’

 

Reactie op ‘Opgejaagde ouderen’ (Mens&, 27 maart 2012)

1.

Gerda Weverink, Monnickendam:  ‘Ouderen zijn zo opgejaagd’ schrijft Joke Mat in de bijlage Mens& in de krant van 27 maart. Is dat even schrikken? De gepensioneerde arts ziet een hele trieste werkelijkheid. Je zou je leven niet meer in de hand hebben.

De aanhef maakt me nieuwsgierig. Ik lees over stress, mensen verliezen, professionele hulp, verlies van vrienden etc. Lucie en ik zijn bijna even oud. Ik word volgende maand 75. Het leven ziet er voor mij heel anders uit.

Niet dat ik de tijd van mijn leven heb, want ouder worden heeft ook ongemakken, maar er is toch zoveel van te maken. Geen lichamelijke problemen is het grootste goed nu. Gelukkig is dat bij mij het geval. “Alles doet het nog” zeg ik dan tegen mijn kinderen.

Mijn jeugdjaren hielden op toen ik 23 was, mijn moeder verongelukte en de zorg voor het gezin kwam op mij neer. Ik had net mijn diploma als maatschappelijk werkster in mijn zak en een goede baan gevonden bij ( toen nog) Fokker.

Dat betekende combinatie van werk en gezin. Mijn eigen rouw kwam pas vele jaren later aan  bod. Mijn huwelijk was niet zo’n succes, een echtgenoot die altijd op reis was, maar wel drie hele leuke en gezellige zonen.

Ik scheidde op mijn 48ste jaar en er begonnen spannende jaren. Verhuizen naar Amsterdam, waar ik geboren was en het stukje jeugd inhalen dat ik had gemist. Mijn zonen gingen het huis uit, volgden opleidingen, vonden partners, gingen trouwen….

Tegen de tijd dat ik 60 werd, vond ik dat ik een meer serieuze draad moest oppakken en ging ernstig op zoek naar een echtgenoot. Dat lukte. Ik vond een man die dezelfde liefde had als ik n.l. watersport. Hij had een grote zeilboot en we maakten samen prachtige tochten over zee.

Dit leven gaf me rust, geluk en meer zekerheid. Weliswaar ook aanpassingsproblemen, maar mijn levenservaring en vak hielpen daarbij zeker een handje.

Samen hadden we 6 kinderen en nu de nodige kleinkinderen. Wat een feest is dat! Mijn oudste zoon emigreerde naar Australië, hij heeft het gered en  nu een aardig gezin. Ik had goede aanleiding om te reizen, hem op te zoeken en onderweg uit te stappen om in Azië rond te kijken.

Het leven nu? Mijn echtgenoot is intussen 82, we varen nog steeds. Verkochten onze zeilboot en hebben nu een ruime sloep waar we op kunnen slapen. We maken de hele zomer tochten in dit waterrijke land.

Hij had enige jaren geleden een zware operatie ( Aneurysma), waar hij na enige weken IC toch van herstelde, wonder boven wonder. Tot op de dag van vandaag gaat het redelijk goed met hem. Verder natuurlijk het gezelschap van de kleinkinderen, zorg is niet meer zo nodig.

Na mijn pensioen studeerde ik een aantal jaren Kunstgeschiedenis. Sinds enige jaren organiseer ik “kunstreizen”, geheel op vrijwillige basis. We huren een bus en spreken rondleidingen af in diverse musea. Vorige week gingen we een dag naar Antwerpen waar we het MAS bezochten en een rondwandeling maakten in de Art Nouveau wijk Zurenborg.

Als dan één van de deelnemers zegt:  Deze tochten zijn zo laagdrempelig en van een goed niveau” dan kan mijn dag niet meer stuk! De deelnemers zijn positief, maken geen problemen en genieten enorm! Kunstgeschiedenis studeren gaf een enorme verrijking aan mijn leven en ik heb een manier gevonden om anderen daarvan te laten meegenieten.

Af en toe een rondje lopen op de golfbaan of baantjes zwemmen in de ochtend houdt me fit. Het wonen vlak bij Amsterdam is een zegen. In de donkere maanden gaan we graag ’s middags naar een filmpje, bezoeken theater of concertzaal. Het aanbod is fantastisch en er is zoveel aanbod.

Mijn man en ik zijn beiden geboren in de binnenstad van Amsterdam en vertrouwd met het leven daar, hoewel we heerlijk buiten wonen in Monnickendam. Vlak bij het IJsselmeer en de polders van Waterland, waar je zo geweldig kan fietsen, tegenwoordig het liefst elektrisch, wat een uitvinding.

De computer leerde ik tijdens de studie gebruiken en daar heb ik geen dag spijt van. Zo handig, skypen met de familie Down Under en mailen met familie en vrienden hier.  Een iPad staat op mijn verlanglijstje, daar ga ik me na de zomer in verdiepen bij het Seniorenweb.

Motivatie. Goed voor jezelf zorgen, rust nemen, je geest fit houden. En bewegen natuurlijk, dat lost de vermoeidheid op.

Inspiratie. Onze boot, kinderen en kleinkinderen ( met je tijd meegaan), lezen en selectief TV kijken.

Aspiratie. Je bewust zijn van het leven, de tijd die er nog is. Het verlies van een zus en vrienden drukt je met de neus op de feiten.

Frustratie. Toch het ouder worden, wat eerder moe, je realiseren dat je geen uitgebreide toekomstplannen meer maakt.

Al met al het devies: PLUK DE DAG!´Een geruststellende gedachte is dat het eigenlijk allemaal niet meer MOET. Dat geeft zoveel meer plezier in het leven.  Lucie, probeer ervan te genieten nu. Het wordt zeker minder.

2.

A.L. de Werker, Groningen: ‘Met grote verbazing las ik het interview met Lucie de Boer (78). Allereerst omdat ze in onze ogen (vrouw 90, man 86) nog niet oud is. Maar kleiner willen wonen op je 73ste vraagt om ouderdom. Een tweepersoonsflat nog meer. Hulp niet gewenst, te veel instanties enz. Kleinkinderen niet welkom. Voorlezen en borduren. Geen lichamelijke of geestelijke klachten. En toch opgejaagd. Hoe zou dat toch komen? Ik vrees te veel tijd en te grote geraniums.

Wat is onze eigen ervaring? Man door afkomst bescheiden vooropleiding. Tot 35ste  naast werk gestudeerd (later ook studieverlof) en carrière gemaakt. Vrouw, nadat enige dochter het huis uit was, actief in verenigingswerk, o.m. 32 jaar leidster van bloeiende (dames) bridgeclub. Man van 22 tot 70 jaar actief in kerkenwerk, met name financieel beheer. Tot voor enige jaren veel (verre) reizen gemaakt. Woonden tot eind 2010 in Den Haag in ruime flat. Toen verhuisd naar Groningen en daar gloednieuwe grotere flat betrokken op 17e verdieping met schitterend uitzicht. Nu dochter en kleinzoons in de buurt voor noodgevallen. 

Evenals in Den Haag een geweldige (nu wekelijkse) particuliere hulp gevonden. Hebben een vorstelijk leven waar we elke minuut van genieten. Met laptop en zonder iPad of iPod. Willen  we die laatste, dan komen ze er. Wat kinderen kunnen, kunnen wij ook. Wat opgejaagd is, weten we niet.’

 

Reactie op ‘Waarom ik worstel met mijn mannelijkheid’ (Mens&, 20 maart 2012)

Cora Duin, Amsterdam: “Schrijver Henk van Straten worstel met zijn man zijn en zijn dierlijke driften. Hij is van de generatie X, dan krijg je dat. In de tijd dat hij geboren werd waren mannen afgeschaft. Ze bestonden wel maar waren nergens goed voor. Ze konden niet schoonmaken, nooit eens lekker koken, je kon er als vrouw geen gesprek mee voeren kortom wat had je er eigenlijk aan. De man ging in de ban. Henk is in die jaren grootgebracht. Twintig jaar later wilde niemand meer een vent die stond te dweilen. Het werden sukkels. Een sukkel huilt als een meisje, klopt, veegt en zuigt, heeft een eindeloos geduld met dingen die er niet toe doen. Dus word dan nog maar eens die cowboy die een hart sneller doet kloppen. Daar is moed voor nodig en eigenlijk een onmogelijke opgave. Mijn tip aan Henk is. Zoek je opa eens op. Hij kan je nog wel vertellen dat een man een zakdoek draagt voor het drogen van damestranen. Een man zal altijd alles in het werk zal stellen om zijn gezin te beschermen en het verdriet bij een man, dat zie je niet. Dat lijden maakt hem juist zo woest aantrekkelijk. Zwijgen, lijden en verdriet, dan komt het goed.”

 

Reactie op ‘Men and pussy’ (Mens&, 6 maart 2012)

Gerhard Hospers en Vito (dat is mijn hond): “Grappig, al die ijdeltuiterij van ‘Men and their Pussy’. Jezelf in bad laten fotograferen met de Poes, of voor de Open Haard met nog weer een andere Poes, prima , maar dat daar een boek over verschijnen moet …..? Vervolgens in hetzelfde artikel Midas Dekkers: ‘Marktonderzoek is gedaan naar het verschil tussen honden -en kattenliefhebbers.” Waarschijnlijk is dat marktonderzoek gedaan door prof. Diederik Stapel, waarbij hondenmensen er op het culturele vlak minder bij af komen dan poezenmensen.

Mijn hond, al vijf jaar NRC-lezer, weet ook wat ‘zit’betekent,  en ‘af’ en ’links, rechts’. Hij woont in Groningen, overweegt zijn abonnement op te zeggen omdat hij geen Frans of Duits spreekt en ook geen bier drinkt volgens Midas Dekkers. Ik hoop dat het niet zover komt en dat ik ook niet met hem op de foto moet. Gelukkig hebben wij geen Bad, wel een douche.”

Reactie op ‘Waarom mannen zwijgen als vrouwen tetteren’ door Lisette Thooft (Mens&, 14 februari 2012)

R. Bovy, Mastricht

Waarom krijgt iemand als Lisette Thooft de kans paginalange artikelen te schrijven in een toonaangevende Nederlandse krant? Waar blijven de reacties van geëmancipeerde Nederlanders op haar artikelen? Die artikelen zijn niet alleen uitermate generaliserend en onwetenschappelijk, maar vooral vrouwvijandig. Bovendien is ’t duidelijk dat zij volkomen vanuit haar persoonlijke geschiedenis en frustraties (lees: boosheid) spreekt. Steeds weer krijgt zij de kans haar eigen innerlijke conflicten op de Nederlandse vrouw te projecteren.

Haar artikel van 14 februari jl. komt neer op een oproep aan mannen om de emotionele problemen van hun vrouwen niet meer serieus te nemen. Dat komt neer op hen helemaal niet serieus nemen. De emotioneel gevoelige man moet vooral niet ingaan op de emotionele ‘tirades’ van zijn agressieve vrouw. Volgens mij zijn er zowel gevoelige en strijdlustige mannen als gevoelige en strijdlustige vrouwen. En zouden die gevoelige mannen er niet beter aan doen bewuster met hun gevoelens om te gaan en erover te praten om zichzelfbeter te beschermen dan emotionele gesprekken uit de weg te gaan?

Haar argumenten zijn ongefundeerd en inconsequent: in haar boek ‘De onverzadigbare vrouw’ beroept zij zich op oude mythes, terwijl zij tegelijkertijd zegt over de hedendaagse vrouw binnen de westerse/Nederlandse cultuur te spreken. Hoe is ’t mogelijk dat in onze geëmancipeerde (?) samenleving zulke vrouwvijandige ideeën zo weinig reacties oproepen?

    • een onzer redacteuren