'Kinderen zijn leergierig, studenten niet'

Ze stond aan het begin van een glansrijke carrière in de wetenschap, maar ze stapte over naar het basisonderwijs. Sociaal geograaf Cordula Rooijendijk: ‘Een klas lijkt op een stad.’

Cordula Rooijendijk (38) stond aan het begin van een glorieuze wetenschappelijke carrière. Nadat ze cum laude was afgestudeerd, promoveerde ze in de sociale geografie en doceerde zij samen met Geert Mak aan de Universiteit van Amsterdam. Maar de studenten daar bleken veel minder leergierig dan de kinderen op de basisschool waar ze als vrijwilliger verhalen vertelde over techniek. Ze besloot zich aan te melden bij de pabo en sinds drie jaar geeft ze parttime les op een Amsterdamse basisschool. Daarnaast schrijft ze boeken, zoals Waterwolven. Een geschiedenis van stormvloeden en Grootvader Piepestok. Een geschiedenis van Nederlandse schoolmeesters.

Als kind zwoer u nóóit leraar te worden. Waarom?

„Mijn ouders waren allebei leraar. Zij kwamen altijd heel moe thuis en het beroep had helemaal geen status. Ik dacht: je lijkt wel gek om leraar te worden.”

Toch ging u na de middelbare school naar een open dag van de pabo.

„Ja, en ik vond het er verschrikkelijk. Ik zag allemaal knutsels aan de muur en ook de meisjes die de voorlichting gaven waren aan het knippen en plakken. Ik wilde niet naar een knutselopleiding en ben ik sociale geografie gaan studeren.”

Hoe kwam u dan toch op een basisschool terecht?

„Ik wilde vrijwilligerswerk doen en kon techniek geven op basisscholen. Mijn eerste les vond ik heel spannend. Ik was bang dat ze de hele tent zouden afbreken.”

Gebeurde dat?

„Nee, de kinderen luisterden meteen heel aandachtig. Vanaf het eerst moment voelde ik me juf. Misschien kwam er toch een soort onderwijzersgen naar boven. Na een jaar dacht ik: ik vind dit zo leuk dat ik dit als werk wil gaan doen. Ik twijfelde omdat het als doctor geen logische stap was, maar ja, wat maakte het eigenlijk uit? Ik besloot de pabo te gaan doen.”

En toen moest u alsnog gaan knutselen.

„Ja. Ik vond er niets aan op de pabo, heb er heel weinig geleerd. Het niveau is er over het algemeen schrikbarend laag. Maar de stages waren leerzaam. Mijn eerste klas was een kleuterklas die ik moest leren lezen. Het moment dat kinderen doorkrijgen dat een letter ergens voor staat, dat is zo magisch!”

Waarom vindt u het leuker taal en rekenen te geven aan kinderen dan sociale geografie te onderwijzen aan studenten?

„Bij die kinderen merk ik zo’n leergierigheid. Dat miste ik bij studenten, die waren vaak heel ongemotiveerd. Ik zie studenten nog niet zo snel gillen: ‘yes ik kan het!’ Dat doen kinderen wel, die kunnen oprecht glunderen. Dit jaar leer ik bijvoorbeeld breuken aan groep 6. Er zit een meisje bij die het maar niet onder de knie kreeg, maar na drie weken had ze het ineens door. Die opluchting is fantastisch. Dan ga ik blij naar huis. Kinderen hebben nog veel nieuwsgierigheid in zich, zelfs kinderen die niets leuk lijken te vinden. Als je eenmaal achterhaald hebt wat ze wel leuk vinden, krijg je ze mee en kun je ze zoveel leren.”

Hoe achterhaalt u bij kinderen die niet willen leren wat ze leuk vinden?

„Door heel goed naar ze te kijken en met ze te praten. Soms blijkt bijvoorbeeld tijdens een les dat ze veel weten over de Romeinen. Dan denk ik: ah, dat is iets wat je leuk vindt, geschiedenis. Nou, je kunt best rekenen aanleren met geschiedenis als invalshoek.”

Wat vond uw omgeving van uw carrière-switch?

„Dat wordt toch wel als vreemd gezien. Mensen kijken erop neer. Leraar zijn op een basisschool heeft echt héél weinig status. Dat merk je wel.”

Is het vervelend een beroep uit te oefenen met zo’n lage status?

„Ik voel het niet als een persoonlijke aanval, omdat ik weet dat het onterecht is. Maar het frustreert wel dat je telkens weer moet uitleggen dat het een belangrijk beroep is. Ik vind het ook erg dat door die lage status minder mensen voor het basisonderwijs kiezen. Dat geldt met name voor hoger opgeleide mannen. Ik denk dat het goed is als meer universitair geschoolden leraar zouden worden.”

Waarom heeft het zo’n lage status?

„Het verdient weinig, de pabo is slecht en er is veel negatieve berichtgeving. De kranten staan vol over de teloorgang van rekenen, taal en spellen in het basisonderwijs.”

Waardoor leren kinderen volgens u slecht spellen en rekenen?

„Je moet als leraar tegenwoordig zoveel meer doen dan vroeger. Op sommige scholen gaan ze twaalf keer per jaar naar het museum en dan ook nog naar de schouwburg, een dierentuin en het theater. Je hebt weet ik hoeveel projecten en goede doelen waaraan je kunt meewerken. En lessen sociale weerbaarheid, zelfvertrouwen, gezonde voeding, gezond leven en mediteren... Dat heeft ook goede kanten. Kinderen kunnen tegenwoordig raps maken, dansen en hele presentaties maken, dat kon ik vroeger echt niet. Maar je hebt beperkt de tijd en ik vind dat op de basisschool de nadruk moet liggen op taal en rekenen.”

Het kabinet wil lessen over homoseksualiteit verplicht stellen, wat vindt u daarvan?

„Die horen niet in de klas. Ik vind het een slechte ontwikkeling dat steeds meer dingen die bij de opvoeding horen van ouders worden overgenomen. De school is voor de schoolvakken, opvoeden moet vooral thuis gebeuren.”

Maar als het thuis niet gebeurt?

„Dan moet daar wat aan gedaan worden. Anders wordt alles op het bordje van de basisschool geschoven, dat is geen echte oplossing. Als je op de basisschool ook nog uitgebreid aandacht wilt besteden aan seksuele voorlichting, cultuureducatie en voeding, dan zouden de schooldagen veel langer moeten zijn.”

Is dat een optie?

„Ja, misschien wel. In de 16de eeuw gingen kinderen van zes uur ’s ochtends tot vijf uur ’s middags naar school. Dat zou voor ouders nu ook veel praktischer zijn. Maar dan moeten leerkrachten wel meer betaald krijgen, want die hebben het erg zwaar en dreigen het door de bezuinigingen nog zwaarder te krijgen.”

In uw boek noemt u juffen en meesters grondleggers van de maatschappij. Hoezo?

„Omdat zij de basis meegeven aan kinderen, het fundament leggen. Zonder die basis kan niemand ooit politicus of professor worden.”

Is dat niet meer in te halen?

„Als je megaslim bent misschien wel, maar juist spellen en rekenen moet je op jonge leeftijd leren. Karel de Grote kon niet schrijven en probeerde dat nog op volwassen leeftijd teleren. Dat is ’m nooit meer goed gelukt.”

De reden die jonge mensen vaak geven om geen leraar te willen worden is dat het werk zo kleinschalig is en dat je geen doorgroei-mogelijkheden hebt.

„Daar ben ik het niet mee eens. De basis leggen bij 26 kinderen per jaar vind ik niet kleinschalig. En je leert elke dag wel weer wat bij. Soms denk ik: dit had ik toch anders moeten uitleggen, bijvoorbeeld dat ik bij de breuken gewoon een taart had moeten meenemen.Bovendien heb je steeds weer te maken met andere kinderen en zoveel verschillende interacties.”

Klinkt hier toch nog de blik van de sociaal geograaf?

„Ja, een klas lijkt op een stad. Met allemaal verschillende kinderen die allemaal verschillende interesses en leermethodes hebben en die het toch maar met elkaar moeten doen, in dat ene lokaal, net als al die verschillende mensen in een stad. Ze moeten leren dat ze rekening met elkaar moeten houden. Dat de een heel goed is in rekenen, de ander heel goed in taal, en de derde fantastisch kan tekenen of turnen. Het is fascinerend om te zien hoe de kinderen met elkaar omgaan, hoe ze binnen die kleine ruimte van de klas van elkaar leren en met elkaar leven.”

Grootvader Piepestok. Een geschiedenis van Nederlandse schoolmeesters is verschenen bij Uitgeverij Atlas (€19,95). Dit najaar verschijnt een nieuw boek van Rooijendijk over de geschiedenis van de Nederlandse handel.

    • Adinda Akkermans