Job

De jongen die bij mij de vloer legt, was gisterenmiddag bondig over het aangekondigde vertrek van Job Cohen: „Het werd es tijd.”

Ja, het is inmiddels een cliché, die vermeende kloof tussen de PvdA en haar natuurlijke achterban, de arbeiders – maar toch verbaast de hardvochtige reactie mij. Valt er dan niets te prijzen in Cohen?

„Hij was een goeie toen-ie nog burgemeester was”, zegt de jongen. „Maar in Den Haag had-ie niets te zoeken.” En, de doodsteek: „Wat stelt dat hele socialisme nou nog voor? Je hebt er niks an.”

Eigenlijk had ik het vandaag alleen willen hebben over een essay dat Anil Ramdas een half jaar geleden schreef over multicultikomedies („Nieuw gebrek graag”). Ik had er zelfs nog eerder iets over willen zeggen, vorige week donderdag al, op de dag dat de laatste multicultikomedie in première ging: Zombibi. Ramdas was mismoedig over de stereotiepe rollen die allochtonen altijd moeten spelen in Nederlandse komedies: „Een allochtoon is en blijft iemand met een mismaaktheid, en daarin verschilt Nederland van de rest van de wereld.” Aan die waarheid leek Zombibi geen ene moer te willen veranderen.

In 2010 had Ramdas nog de hoop dat de allochtoon eindelijk voor vol aangezien zou worden. Reden voor zijn optimisme was het aantreden van Job Cohen als fractievoorzitter van de PvdA. „Met Job Cohen wordt de minderhedenkwestie eindelijk, na dertig jaar, op de juiste manier serieus genomen”, schreef Ramdas in De Groene Amsterdammer.

Er werden onmogelijke, magische dingen van Cohen verwacht. Ramdas stond daar niet alleen in. Half Nederland geloofde bij het aantreden van Cohen dat het eindelijk gedaan zou zijn met het gure klimaat dat Wilders en zijn geestverwanten verspreidden. Ik zocht op Facebook wat er 12 maart 2010 zoal werd gezegd toen bekend werd dat Cohen Wouter Bos zou vervangen. Een extatische vriend: „Ik heb het altijd gezegd, er is maar één vader voor dit verknipte volk: JOB COHEN!”

De jongen die mijn vloer legt, zegt ook blij te zijn geweest toen Cohen Bos opvolgde. „Burgemeester van Amsterdam of burgemeester van Nederland – ’t is één pot nat.” Maar hij begon aan Cohen te twijfelen toen die tijdens tv-debatten niet opgewassen bleek tegen Wilders. „Dat stotteren van ’m, altijd maar netjes blijven, nooit es een ander in z’n ballen trappen. Man man man, waar ben je aan begonnen, Job, dacht ik vaak.”

Dat imago, van een brave burgervader die niets te zoeken heeft tussen de Haagse straatvechters, staat aan de basis van zijn falen, meent iedereen. Zelfs Cohen gelooft dat. Hij stelde tijdens zijn afscheid onomwonden vast dat zijn pleidooi voor een fatsoenlijke samenleving niet doorkwam in de politieke en mediawerkelijkheid van Den Haag.

„Met Job Cohen kan de droevige, kille, harteloze tijd tussen 2000 en 2010 eindelijk worden afgesloten”, geloofde Ramdas nog in 2010.

Het is nu 2012: Ramdas is er niet meer, Cohen verlaat gedesillusioneerd de landelijke politiek en er worden nog steeds films gemaakt die allochtonen portretteren als mismaakte zwakzinnigen.

    • Hassan Bahara