Het afscheid

‘Hoe was het?” vroeg mijn vrouw.

Ze zei het op een toon alsof ik net was teruggekeerd van een begrafenis. In zekere zin was het dat ook: een politieke begrafenis. Het verschil met een gewone begrafenis was geweest dat de overledene zijn eigen lijkrede kon houden.

„Droevig, maar bevredigend”, zei ik. „Job was eindelijk op dreef. Het was verreweg zijn beste mediaoptreden.”

„Vertel!” Ze had de rechtstreekse tv-uitzending grotendeels gemist, een freudiaanse misser, vermoed ik.

Gedetailleerd beschreef ik mijn positie op die laatste persconferentie van Cohen in het partijbureau aan de Herengracht. Ik zat op de tweede rij achter een haag van persfotografen, naast mij schrijvende journalisten en achter mij PowNed-prominent Rutger Castricum, ver verwijderd van zijn concurrent ‘Jakhals Erik’ van De Wereld Draait Door, ook zo’n kampioen van de stoute vraag.

Cohen zal beide heren met één oogopslag hebben gezien, toen hij het mediacircus voor zich overzag. Inclusief een aantal andere leden van dat circus waaraan hij geen beste herinneringen had. En hij moet op hetzelfde moment gedacht hebben: „Val dood, klootzakken.”

Dat werd zijn toon. Elke vraag naar motieven en gevoelens kapte hij scherp af. IJzig keek hij de vraagsteller aan, superieur onttrok hij zich aan stekelige, provocerende vraagjes.

„Bent u opgelucht?” vroeg Castricum. De vraag was al eerder gesteld, maar toen had hij even niet opgelet. Cohen ging er niet meer op in, liet hem bungelen. „Waar bent u trots op?” zoog Castricum. „Dat ik zo vaak door PowNed ben geïnterviewd”, zei Cohen. „Even serieus”, zei Castricum. Serieus! De man die nog nooit een serieuze vraag gesteld had, wilde opeens serieus van gedachten wisselen met zijn voormalige prooi. „Bent u opgelucht?” vroeg hij weer, want zijn repertoire is beperkt. Cohen wendde minachtend zijn hoofd af. „Volgende vraag.” Castricum pruttelde verontwaardigd, maar hij kwam niet meer aan de beurt. Ook ‘Jakhals Erik’ kreeg geen poot aan de grond. „Heeft u fouten gemaakt?” vroeg hij. Cohen: „Iedereen maakt fouten, u ook.”

Merkwaardig. Op zijn afscheidsdag van de politiek leek Cohen opeens het beste antwoord te hebben gevonden op zijn plaaggeesten. Korte, scherpe antwoorden, met nog net ingehouden kwaadheid uitgesproken. Geen laf geflikflooi meer, weg met de zoete broodjes – maar kort ageren en vervolgens negeren. Cynisme beantwoorden met sarcasme. Als politici dat niet aandurven, heeft straks ieder tv-station zijn eigen afzeiker in dienst en zien we nooit meer een zinnig interview.

„Hoe was het verder?” vroeg mijn vrouw.

Ik vertelde dat het kantoorpersoneel van de PvdA zich in de kantine had verzameld en applaudisseerde toen Cohen vertrok. Dat was goed. Je moet er niet aan denken dat hij in doodse stilte vertrokken was, dof nagestaard door Dijsselbloem, Spekman en de mediameute. Misschien had Castricum dan nog geroepen: „Moet u nu niet huilen, meneer Cohen?” Maar zelfs hij hield zijn mond.

„Wie nu”, zei ik, „jij mag als lid mee beslissen.”

Ik noemde het bekende rijtje op dat ik daar had gehoord: Plasterk, Samsom, Van Dam, Hamer, Timmermans, Monasch. Bij het noemen van de laatste drie namen meende ik even een siddering van afkeer waar te nemen, maar verder hield ze zich op de vlakte.„Ben je eigenlijk wel opgelucht?” vroeg ik nog.

„Laatste vraag”, zei ze.