De wandelstok van Chaplin

‘Hier ben ik een kleurling, in Paramaribo niet. In Paramaribo ben ik een hindoestaan, in India niet. In India ben ik een westerling, in Nederland niet.’ Lang geleden besprak ik voor deze krant de eerste bundel van Anil Ramdas en ik was getroffen door zijn toon. Waar anderen mijmerden over migratie als heimwee en verlies, had hij het met bravoure over vrijmaking. De overtocht naar Nederland zag Ramdas als een reis van traditie naar moderniteit, waardoor ‘een breuk in de herinnering’ ontstaat: ‘En ik zou graag willen beweren dat die leegte, die witte plek, die vaagheid van het verleden geen tragisch, maar juist een gelukkig gegeven kan zijn, als een bevrijding kan worden opgevat.’

Ik zie Anil Ramdas voor me, ergens eind jaren tachtig toen ik hem voor het eerst ontmoette: een tengere jongen met glanzende haardos en onberispelijk wit overhemd. Hij praatte op me in alsof er geen tijd te verliezen was; luisteren was niet zijn sterkste kant. Waarnemen wel: met een grote gevoeligheid schreef hij over Nederland, Suriname en India.

Ramdas verstond als weinig anderen de kunst om uit de nood een deugd te maken. Daarbij waren zijn ambities tomeloos. Ik denk dat hij zich wel had kunnen vinden in de brief die zijn literaire held, V.S. Naipaul, als jonge migrant aan zijn vader schreef: ‘Ik moet deze mensen laten zien dat ik ze in hun eigen taal kan overtreffen.’

Al doende ontwikkelde Ramdas een verrassende manier van kijken, een blik die ruimte gaf. Een voorbeeld is zijn commentaar op de hang naar het midden in Nederland, die zowel extremisme als excentriciteit belemmert: ‘Vandaar de paradoxale situatie dat fanatieke racisten in Nederland evenveel moeite hebben om door te dringen tot de kring der burgerlijke beschaving als vreemdelingen met afwijkende culturele gewoonten.’

Zo daagde hij vaker een gevestigd zelfbeeld uit. Vooral zijn beschouwing waarin hij autochtone schrijvers verweet de werkelijkheid van de migratie uit hun literaire verbeelding te weren, veroorzaakte nogal wat reuring. Ramdas weet dat wegkijken aan ‘moedwil en kwade trouw’. Dat leek me onzin, maar voor mij was het artikel wel de directe aanleiding om me vragen te stellen over de multiculturele samenleving.

Ondertussen bleek zijn verwijt aan Nederlandse schrijvers de voorbode van een andere toon. Ik kon die ontwikkeling goed volgen aan de hand van zijn reacties op mijn beschouwing Het multiculturele drama. Eerst zag hij daarin de ‘meest degelijke interventie in de oer-Hollandse zelfgenoegzaamheid sinds jaren’. Niet veel later schamperde hij dat het stuk het begin vormde van ‘de hysterie in Nederland’. Nog wat later wist hij zeker dat het echte drama bij de onbeschaafde blanke bevolking lag.

Hij bleef erop terugkomen, ook in zijn laatste boek, de autobiografische roman Badal. Verdwenen was de lichtvoetige manier waarop hij de schuldvraag telkens op zijn kop zette. Waar het populisme de elite uit naam van het volk aanklaagt, daar draaide Ramdas het verwijt om. Het volk moest het ontgelden in krasse bewoordingen: ‘blank uitschot’ dat achter ‘een nieuwe Mussert’ aanliep.

Dat spiegelgevecht was een doodlopende weg. Het was zijn toon niet. En Ramdas voelde dat. Zijn roman was een poging om opnieuw uit de nood een deugd te maken; een moedig zelfportret, met alle risico’s die daarbij horen. ‘Oprechtheid en zelfdestructie lijken soms op elkaar’, zegt Harry Badal. Het was zijn manier om weer greep te krijgen op een werkelijkheid die hem ontglipte.

De ontwikkeling en het einde van Anil Ramdas zeggen uiteraard veel over hemzelf: zeer getalenteerd en even getroebleerd; trots op zijn werk en tot op het bot onzeker. Het is niet voor niets dat ‘kastijding’ zo ongeveer het meest gebruikte woord in Badal is. De ‘leegte’ woog blijkbaar zwaarder dan hij aanvankelijk dacht: ‘Waar was dat onverwoestbare optimisme van de jonge migrant gebleven?’

Maar de bitterheid van zijn latere werk zegt ook iets over deze tijd. De botsingen van de afgelopen jaren ontnamen Ramdas de ruimte die hij had verworven. Met de meerderheid en minderheden kon ineens geen ironisch spel meer worden gespeeld. De perspectiefwisseling werkte niet langer. Zijn schrijverschap raakte erdoor ontregeld: ‘Badal had er genoeg van om als outsider over outsiders te moeten schrijven voor insiders.’

Ik herinner me een toespraak in de Rode Hoed begin jaren negentig toen Ramdas een linksig gehoor de oren waste over de manier waarop zijn vaderland onafhankelijk was geworden. Hij blaakte van zelfvertrouwen en legde een muisstille zaal uit hoe juist het postkoloniale schuldgevoel in Nederland ertoe had geleid dat Suriname overhaast op eigen benen kwam te staan. Die blinde zorg voor het vereffenen van een eigen schuld ving hij in het beeld van ‘Charlie Chaplin die iemand op zijn tenen trapt en zich omkeert om zich te excuseren’, met als gevolg dat hij ‘intussen een ander met zijn wandelstok in het gezicht slaat’. Zo bracht hij vaker lucht in een loodzwaar onderwerp en al teruglezend werd me duidelijk hoezeer ik die stem zal missen.