De Oriëntaalse man is terug in Turkije

Om de diplomatieke betrekkingen tussen Turkije en Nederland te vieren bracht het Rijksmuseum de grootmeesters uit de Gouden Eeuw naar Istanbul.

Ze waren er al vier eeuwen geleden, Turken in Amsterdam. Ottomanen, heetten ze toen nog. Mannen in fel gekleurde tulbanden en gewaden. Je kon ze niet missen tussen al die donker geklede Amsterdammers op de Dam, waar de vertegenwoordigers van de Ottomaanse sultan hun eigen handelskamer hadden. Jan Lievens zag ze. Rembrandt van Rijn zag ze. Beiden schilderden de „man in Oriëntaals kostuum” meerdere malen. Nu hangen ze in het Sakip Sabanci Museum in Istanbul, aan de Europese kant van de Bosporus, tot juni het tijdelijke onderkomen van meer dan 100 pronkstukken uit het Rijksmuseum van Amsterdam.

In de gangen van het museum ging het over het eeuwenoude contact tussen de Hollanders en de Turken, sinds de dag dat Cornelus Haga in 1612 zijn geloofsbrieven overhandigde aan de Ottomaanse sultan Ahmet I. De opening van de tentoonstelling Rembrandt en zijn tijdgenoten markeerde de viering van de vierhonderd jaar diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Turkije.

Minister Uri Rosenthal van Buitenlandse Zaken kwam speciaal voor de opening over uit Den Haag. Nog nooit waren er zoveel doeken van zulke grote namen in Turkije te zien. Jan Steen, Johannes Vermeer, Frans Hals, Jacob van Ruisdael. Ze zijn er allemaal.

De Hollanders zijn plotseling alomtegenwoordig aan de Bosporus. Het leven van Vincent van Gogh wordt in diavoorstellingen getoond in het oude havengebied aan de Gouden hoorn. Daarnaast hangt de collectie van Boijmans Van Beuningen in het museum voor moderne kunst, Istanbul Modern. Het Van Abbemuseum uit Eindhoven werkt samen met het juist geopende museum Salt, in de drukste winkelstraat van de stad. En een straatje verderop gaat het over „de kamer van de Levantse Handel, Hollandse kooplui en Ottomaanse sultans” in het Pera-museum.

De conservator van het Rijksmuseum, Pieter Roelofs, vond dat een mooi moment om nog eens goed de archieven van het Rijksmuseum door te spitten, op zoek naar de Oriëntaalse invloeden van de grootmeesters. „Je ziet dat de Hollandse grootmeesters Turkse modellen gebruiken in hun oudtestamentische schilderijen. De oosterling was een type, de inspiratiebron om het vreemde af te beelden.”

Wie goed kijkt ziet Ottomaanse tapijten op de doeken. En de conservator smokkelde ook een beetje, bijvoorbeeld met het schilderij van Jan Baptist Weenix over het bezoek van de Nederlandse ambassadeur aan Isfahan. Dat ligt weliswaar in Perzië, het huidige Iran, maar het is niettemin oosters.

De conservator moet eerlijk zijn: die eindeloze verbouwing van het Rijksmuseum in Amsterdam heeft zo ook zijn voordelen. Tot aan de geplande opening in 2013 reizen de doeken de wereld rond. Nu kan het nog. De sport voor de conservator is op zoek te gaan naar de overeenkomsten tussen het leven van de grootmeesters en de plek waar ze nu hangen. „Het mooie is dat je verbanden kunt leggen die je normaal niet legt. Je hangt de schilderijen op een andere manier bij elkaar, zoals je het zelf ook nog nooit gezien hebt. Zo vertellen we een nieuw verhaal.” Dat verhaal begint hier met de schilderijen van kooplieden en handelaars uit de tijd dat in Nederland de luiken naar de wereld nog wagenwijd openstonden.

Lang kan Roelofs kijken naar het IJ van Amsterdam, gezien vanaf de Mosselsteiger in 1673. „Ludolf Bakhuizen schilderde die plek waar de schepen uit verre oorden aankwamen, de plek waar je het nieuws kon horen over hoe het met je man gaat. De zee bracht rijkdom, maar nam ook levens. De goederen die werden aangeleverd. Wat hebben ze nu weer bij zich.” Hij dacht datzelfde gevoel te krijgen aan de Galatabrug, waar je vanaf ’s ochtends vroeg de veerboten op en neer ziet puffen tussen Europa en Azië en oceaanstomers langs de paleizen van het Ottomaanse Rijk varen. Terwijl Europa in verval raakt, groeit de Turkse economie. „Turkije beleeft nu zijn gouden eeuw.”

    • Bram Vermeulen