De Citotoets is even zeker als een schedelmeting

De Citotoets biedt niets dan schijnzekerheid over wat een kind weet en kan. Niet dat je toetst, maar wat je toetst is belangrijk. Meet liever of een kind een goed karakter heeft.

Cito is een geloof en aanhangers van deze sekte reageren op kritiek zoals alle gelovigen: extreem snel beledigd, uit de hoogte, eeuwig overtuigd van het eigen gelijk en voorbijgaand aan feiten en logica. Zo maakt briefschrijver Albert-Jan Shi in NRC Handelsblad gebruik van een straw man-tactiek: je verwijt een tegenstander iets wat deze helemaal niet heeft beweerd, om dat vervolgens neer te sabelen. In dit geval is dat de beschuldiging dat tegenstanders van Cito slappelingen zijn, die hun kinderen tot weekdieren laten verworden omdat „kinderen kinderen moeten blijven”. Ouders zouden in plaats daarvan „tijgermoeders” moeten zijn (heeft Shi het YouTubefilmpje gezien van het jochie dat van zijn „arendsvader” vrijwel naakt bij zestien graden onder nul militaire oefeningen moest doen?).

Dat „kinderen blijven” is boosaardige onzin. Iedere ouder weet dat opvoeding en opleiding er zijn om het kind de nodige bagage te geven voor wanneer het volwassen zal zijn. Het sprookje van Peter Pan is goed voor tekenfilms, maar in het echt worden kinderen gewoon groot. De dooier in een ei lijkt een slap zakje prut, maar het is de basis van een echte vogel.

Net als andere geloven wordt Cito pas gevaarlijk zodra het als alleenzaligmakend wordt beleden. Er is niets mis met toetsen: zonder toets geen ijkpunt, en prima als het landelijk gebeurt. Maar waar de klassieke eindexamens de resultaten van leerlingen op scholen volgden, nemen de toetsen nu de leiding. De staart kwispelt met de hond: in plaats van dat Cito toetst wat scholen doen, doen scholen wat Cito toetst.

Niet dat je toetst, maar wat je toetst is belangrijk. Het Citogebied is smal en geen betrouwbare indicator voor algemene kennis. Het geeft bovendien geen informatie over dat wat een kind als volwassene weerbaar en waardevol maakt, zoals evenwicht tussen eigenwaarde en de waarde van anderen, vindingrijkheid, doorzettingsvermogen, nieuwsgierigheid, opmerkzaamheid, incasseringsvermogen – kortom, karakter.

Daarbij komt nog een fundamentele fout: het verwarren van correlatie en causatie. Dat leerlingen met een hoge Citoscore gemiddeld een beetje vaker een hogere opleiding voltooien dan die met lagere scores, zegt misschien iets over de populatie, maar weinig over het individu. Cito projecteert een illusie van individuele meetbaarheid en maakbaarheid, waaraan door ouders en scholen verregaande consequenties worden verbonden bij de keuze van het voortgezet onderwijs. Een plukje minimaal meetbare zaken wordt zo verheven tot noodlot.

Het is absurd de toekomst van kinderen te laten dicteren door selectieve toetsen op zo’n smalle basis. De Citoscore wordt misbruikt als een maakbaarheidsinstrument, in plaats van als nuttige steun in de voortgang van het onderwijs. De uitslag wordt gezien als een eigenschap van een individu, zoals de kleur van diens ogen; of erger nog, een eigenschap die bepalend is voor dat individu. De vorderingen van leerlingen op een algebraïsche manier meten is zoiets als de schedelmetingen in de negentiende eeuw. Het lijkt exact, maar het is een bezweringsformule gebaseerd op de schijnzekerheid van getallen.

De kinderen die onze toekomst gaan vormen, moeten wij, net als in voorbije eeuwen, met een lantaarntje zoeken. Op de uitdraai van de Citocomputers zul je de nieuwe Einstein of Mandela niet aangewezen zien.

Vincent Icke is astrofysicus, beeldend kunstenaar en publicist.