Brusselse cijfers botsen met de Griekse realiteit

Europese ministers van Financiën sloten gisteren het ‘definitieve’ akkoord voor de Grieken. Is het voldoende?

Alles draaide vannacht om harde cijfers. Het tweede leningenpakket voor Griekenland mocht niet meer dan 130 miljard euro kosten. Het effect moest zijn dat de Griekse schuld tot exact 120 procent van het bruto binnenlands product zou worden teruggebracht.

Na veertien uur onderhandelen slaagden de euroministers van Financiën er vanmorgen in om die wiskundig bepaalde doelen te halen. Voor het eerst sinds weken gingen weer een Duitse en Griekse minister samen, lachend, op de foto. Daarnaast voltrekt zich een halve revolutie in Italië en een beetje in Spanje, en een ECB-lening van bijna 500 miljard euro geeft de banken weer lucht. Je zou haast denken dat het ergste voorbij is.

Dat kan. Maar het kan evengoed niet. Vanmorgen vóór de zon opkwam, rees bij velen alweer de vraag hoe hard die doelen voor Griekenland eigenlijk zijn. Hoe kun je nu uitrekenen dat de Griekse schuld in 2020 – over acht jaar! – 120,5 procent van het bbp is? Hoe kun je daarop alle financiering voor het land voor de komende jaren vastpinnen? En hoe kun je weten dat de korting op staatsobligaties voor bankiers en pensioenfondsen, nu verhoogd tot 75 procent, voldoende is? De deal van vanmorgen was gebaseerd op berekeningen uit oktober en die zijn nu al verouderd. Zo kromp de Griekse economie het laatste kwartaal van 2011 met 7 procent, dat is meer dan waar IMF, ECB en de Europese Commissie rekening mee hielden.

Afgelopen dagen circuleerde onder de ministers een rapport met diverse scenario’s voor Griekenland. Het vannacht gesloten akkoord gaat uit van verreweg het gunstigste scenario. Wie krijgt de schuld als het misloopt? Minister De Jager dwong mede garanties af: snelle uitvoering van nog meer hervormingen; permanente controle door Europa en IMF; gebruik van een geblokkeerde rekening zodat Griekenland altijd eerst schuld afbetaalt voor het geld krijgt. Beperken die garanties de risico’s?

In de eurozone zijn de politieke risico’s nog groter dan de economische. Zo zijn er in april verkiezingen in Griekenland. Griekse volkswoede over de manier waarop hervormingen nu worden opgelegd, kan overkoken. Oude partijen als Pasok, die trouw zwoeren aan het nieuwe programma, scoren in de peilingen amper 10 procent. Welke ‘tegenpartij’, die niets zweert, vergaart de stemmen straks? En de politieke risico’s zitten niet alleen in Griekenland. Noordelijke eurolanden als Nederland maken tot nu toe winst op de leningen aan Griekenland. Toch hebben mensen op een of andere manier de indruk dat ze geld géven, om niet te zeggen in een gat gooien. Dit kan weleens de laatste keer zijn dat het politiek haalbaar is om de Grieken overeind te houden.

Afgelopen weken vernederden Duitse en Griekse politici elkaar publiekelijk. Dat ging zo van dik hout dat weinigen merkten dat de ooit gevreesde tandem Frankrijk-Duitsland eigenlijk niet meer bestaat. Deze beide landen waren het in de Griekenland-onderhandelingen nergens over eens. Een diplomaat wilde zijn collega’s laatst „opsluiten zonder eten, drinken of pissen” – en dit is een letterlijk citaat.

President Sarkozy is alleen bezig met de Franse verkiezingen. Als de Europese Commissie binnenkort Frankrijk op de vingers tikt wegens een slordige begroting, zal Sarkozy dan in één weekend enkele miljarden weg snijden, zoals de Grieken doen, zoals de Belgen laatst deden?

Griekenland is zand in elke Europese tank. Het verergert alle problemen. Ook daarom wil iedereen er van af. Maar of dat lukt met het akkoord van vandaag, is ondanks het complexe cijferwerk nog niet te zeggen.

Economie: pagina 22

    • Caroline de Gruyter