Belabberde voorspellingen

Ongeveer twee jaar geleden zat ik in een warm zaaltje aan een Amsterdamse gracht: het PvdA-partijbureau. De fotografen die aanwezig waren, buitelden haast over elkaar heen om een foto te maken van de man voor wie we daar samen waren gekomen: Job Cohen. Hij was de nieuwe lijsttrekker van de partij. Hij ging het verkiezingsprogramma

Ongeveer twee jaar geleden zat ik in een warm zaaltje aan een Amsterdamse gracht: het PvdA-partijbureau. De fotografen die aanwezig waren, buitelden haast over elkaar heen om een foto te maken van de man voor wie we daar samen waren gekomen: Job Cohen. Hij was de nieuwe lijsttrekker van de partij. Hij ging het verkiezingsprogramma presenteren. Op internet kon je jubelende T-shirts kopen met de tekst YES WE COHEN en iedere bakfietsmoeder wilde wel een ontbijtje voor hem maken – zo stonden de zaken er zo’n beetje voor.

Er waren nederlagen en teleurstellingen en bijnamen en het ging steeds moeizamer

Nu is het twee jaar later en kan ik met enige droefenis melden: ik ben een belabberde waarzegger. Mijn voorspellingen deugen niet. (Ik probeer even na te gaan wat ik allemaal nog meer vol bombarie heb aangekondigd, en waar u ook vooral niet meer op moet hopen: Jurassic Park 4, het uitsterven van de voicemail en aliens, waarschijnlijk).

Want na die middag in dat warme zaaltje schreef ik: dit komt wel goed. Ondanks die onstuimige verwachtingen – het soort verwachtingen die een mens misschien meer kielhalen dan katapulteren. Yes we Cohen, het lijkt me niet verwonderlijk dat iemand daarop antwoordt met: ‘Hee, ik lig de komende drie maanden even daar, onder dat gebloemde dekbed, waar ik nadenk over het tragische liefdesleven van de zalm – heel veel succes met alles!’ Of misschien: ‘Yes we Cohen? ANDERS DOE JE HET LEKKER EVEN ZELF, WAT DACHT JE DAARVAN?’ Maar goed, mijn gevoel was: de druk is groot, maar hij heeft het prettige schouderophalen geperfectioneerd. Het soort schouderophalen dat nodig is om vervelende vragen af te wimpelen en bovendien in wc’s geen stiekeme kushandjes naar je eigen spiegelbeeld te gaan werpen.

Het liep anders. Er waren verkiezingsnederlagen en teleurstellingen en vertrouwensopzeggingen en interviews en bijnamen en debatten en zetelverdwijningen en nog meer van dat alles, en het ging steeds moeizamer. Het nonchalante schouderophalen werd een nukkig schouderophalen. Als hij ooit de burgervader was geweest, de man met gezag en overzicht die het land in de goede richting ging leiden, leek hij nu meer op een vader die continu geërgerd was over het luide gejengel van de buurtkinderen.

Het was niet prettig om te zien. Soms had je met hem te doen: de man die wilde uitleggen en nuanceren, en bij wie je enkel de frustratie zag toenemen. En op de persconferentie waar hij zijn vertrek aankondigde, leek hij moegestreden. Hij beantwoordde vragen van de journalisten, maar zijn werkelijke woorden waren: ‘Hee, ik lig de komende drie maanden even daar, onder dat gebloemde dekbed, waar ik nadenk over het tragische liefdesleven van de zalm – heel veel succes met alles!’

Misschien keert hij ooit weer terug. Of begint hij een succesvolle carrière als dompteur – ik ben niet zo’n goede waarzegger.

    • Renske de Greef