Bedolven onder sneeuw, onderkoeld en bevrijd

Prins Friso lag vrijdag twintig minuten onder de sneeuw. Snowboarder Barry Haerens weet hoe het voelt: in 1999 raakte ook hij bedolven. „Het voelde als cement.”

07 Jan 2009, Nepal --- This mountain in the Nepal Himalayas is 8163 meter high and one of the 14 eight thousand meter peaks on the globe. The dangers on the mountain are severe after heavy snowfall. | Location: Manaslu, Nepal. --- Image by © Menno Boermans/Aurora Photos/Corbis © Menno Boermans/Aurora Photos>

Snowboarder Barry Haerens (35) kwam dertien jaar geleden in de Franse Alpen onder een lawine terecht. Ruim drie uur lag hij onder de sneeuw. En na twee dagen stond hij weer op de piste.

Schoondijke, Zeeuws-Vlaanderen, Barry Haerens vertelt in zijn woonkamer over zijn belevenis. „Ik studeerde pedagogiek en werkte elk weekend en elke vakantie om twee tot drie keer per jaar naar de bergen te kunnen. Het liefst zo low budget mogelijk: in de goedkoopste weken, met zoveel mogelijk man in een huisje en voor acht dagen eten in je rugtas. Elke ochtend namen we de eerste gondel omhoog, ’s middags lunchten we met zelf gesmeerde stokbroden in de skilift. Alles om zoveel mogelijk meters te maken, het liefst off-piste.

„In 1999 ging ik met mijn broer en vier vrienden naar Val Thorens, in de zogeheten Trois Vallées, in de Franse Alpen. Ons ging het vooral om de vierde vallei, een bekend poederparadijs. Er is niets mooier dan door de poedersneeuw van de berg knallen, handjes op de rug. Als je omkijkt, zie je de spray van drie bochten geleden nog omlaag dwarrelen. Een beter gevoel bestaat er niet.

„Het gebeurde bij de eerste afdaling. Vier bleven er nog op het pad. Ik sneed met een vriend een stukje van het pad af, tussen twee gewone pistes. Hij reed voorop maar ging onderuit. Toen ik remde om te kijken of alles goed met hem ging, begon de sneeuw te schuiven. Ik dacht: niks aan de hand, gewoon bochtjes blijven draaien, dan kom ik wel uit de lawine.

„Ik reed recht op een klif af, van een meter of drie diep. Normaal is dat perfect om vanaf te springen, maar omdat ik het nu niet had zien aankomen, viel ik. Meteen zat ik muurvast. Dankzij snowboardblaadjes en Discovery Channel wist ik dat je in een lawine een luchtbel moet creëren door je armen als een soort kom voor je gezicht te houden. Dat was min of meer gelukt. Het lijkt net cement: zelfs mijn vingers kon ik niet bewegen.

„Ik wist ook niet of ik rechtop vastzat, of ondersteboven. Dat kun je achterhalen door te spugen en je speeksel te volgen, Maar ik dacht: dat ga ik mooi niet doen. Want als ik erachter kom dat ik op mijn kop hang, is dat foute boel.

„Ik heb een paar keer paniekerig geroepen: ‘Ik zit hier!’ Maar hoe meer je schreeuwt, hoe meer energie je verspeelt. Ik moest mezelf zo rustig mogelijk houden. Ik had geen lawinepieper – die was natuurlijk veel te duur – maar was ervan overtuigd dat mijn vrienden me zouden vinden. De jongen die achter me reed, moest alles gezien hebben, dacht ik. De rest kon helpen met graven. Zo gepiept, dacht ik.

„Voor mijn gevoel ben ik tien minuten bij bewustzijn geweest. Maar het kunnen er ook twee zijn geweest, of dertig. De gedachte ‘dit is helemaal mis’ heb ik nooit gehad. Ik heb van niemand afscheid genomen. Dit kan niet, dacht ik. Ik ben te jong om zo te sterven.

„Uiteindelijk heb ik tussen de drie en vier uur onder veertig centimeter sneeuw gelegen. Mijn geluk was dat de bovenste laag uit verse, lossere sneeuw bestond. Zo heb ik voldoende zuurstof kunnen krijgen. Samen met mijn goede conditie en de warme thermokleding is dat mijn redding geweest.

„De lawine ging zo snel, dat mijn vrienden vermoedden dat ik was doorgereden. Ze hebben nog even gezocht, maar zijn toen gaan afdalen en rondvragen of iemand mij had gezien. ‘Geen paniek’, zei iedereen. ‘Die komt wel terecht.’ Pas toen ze helemaal beneden waren, sloeg de twijfel toe. Na enig aandringen zijn de reddingswerkers met een sneeuwscooter naar boven gegaan.

„Binnen tien tellen had de hond me gevonden. Mijn lichaamstemperatuur was 28 graden. Om te kijken of ik nog leefde, hebben ze me aan mijn haar opgetild. Ik schijn xtc-ogen te hebben gehad, met enorm grote pupillen. Ik herkende mijn vrienden niet. Ik kan me er niets van herinneren, ook de helikoptervlucht niet.

„De volgende ochtend werd ik klappertandend wakker in het ziekenhuis van Moutiers. Ik lag onder drie wollen dekens, op mijn borst zaten plakkers om mijn hartslag en temperatuur te meten. Omdat ik niet kon plassen, was er een katheter geplaatst. Maar verder had ik niks, geen blauwe plekken, nergens pijn. Toen ze na anderhalve dag zeker wisten dat mijn organen goed functioneerden, mocht ik gaan.

„De arts bij wie ik was binnengebracht had inmiddels vrij, maar hij is nog langsgekomen omdat hij niet kon geloven dat ik het had overleefd. ‘Je hebt precies gedaan wat je moest doen’, zei hij. ‘Maar meer geluk kun je niet hebben.’ En, vroeg hij: ‘Wat nu?’ Ik lag bij het raam en had de hele ochtend druppels tegen de ruit zien spetteren. ‘Als het hier in het dal regent, moet het boven sneeuwen’, antwoordde ik. ‘Ik zou wel weer omhoog willen.’ Daar begreep de arts niets van.

„De volgende dag ben ik meteen gaan kijken naar de plek waar ik had gelegen. Het was een stuk van vijftig bij vijftig meter. Ik had er totaal geen gevoel bij. Ik denk er ook nauwelijks aan terug, hooguit drie keer per jaar. Wat dat betreft is het voor mijn vrienden veel indrukwekkender geweest. Die middag zijn we met zijn allen naar de vierde vallei gereden. Er lag verse sneeuw. Het was prachtig. Net als de rest van de week hebben we genoten. Ik heb geen moment gedacht: ik ga toch maar niet. Daarvoor doe ik het te graag.”

    • Frank Provoost