Altijd op jacht naar intiem kapitaal

De Nederlandse journalistiek geeft weinig om fatsoen of privacy, stelt Stine Jensen.

Photographers stand on ladders to get a view of Whitney Houston's funeral at New Hope Baptist Church in Newark, N.J., Saturday, Feb. 18, 2012. Houston died last Saturday at the Beverly Hills Hilton in Beverly Hills, Calif., at the age 48. (AP Photo/Rich Schultz)

Schrijver en filosoof

Liefdevol uitzwaaien, ze kunnen er wat van, die zwarte zangers en zangeressen. Whitney Houstons uitvaartceremonie werd afgelopen zaterdag live uitgezonden door de NOS. Net als bij Michael Jackson bezorgde de ceremonie me kippenvel en tranen. Van Stevie Wonder tot Kevin Costner, ze zongen en spraken groots, meeslepend en bovenal: warm en hartelijk. ‘You’re an angel’, zong Alicia Keys.

Hoe schril is het contrast met de Nederlandse rituelen rondom beroemde doden. Onze omgang met de dood onthult veel over onze huidige individuele en culturele identiteit. Afgelopen zaterdag kwam de Volkskrant met een in memoriam voor cultuurcriticus en essayist Anil Ramdas.

Om zijn betekenis in het sociaal-culturele landschap te duiden, had men zijn twee grootste vijanden gebeld. Ik was heus best benieuwd wat Joost Zwagerman en Max Pam te melden hadden over hun polemiek en ruzies met Ramdas, maar allemachtig, wat kregen zij veel ruimte. Waar was het geluid van de gekleurde jongens en meisjes, vrouwen en mannen, die de ontroerende rouwadvertentie plaatsten en Anil dankten wegens zijn voorbeeldfunctie en wegbereiding in de Nederlandse samenleving?

Ik zeg niet: over de doden niets dan goed, maar was dit niet een wel erg eenzijdige en sensatiebeluste aanpak? En waarom voelden Pam en Zwagerman eigenlijk de behoefte om de polemische handschoen tegen een dode nog even op te pakken in een in memoriam? Ego-manifestatie? (Willen Zwagerman en Pam zelf ook dat de kranten straks meteen hun grootste vijanden bellen om hun plek straks helder te duiden als ze het loodje leggen?) Dat het ook anders kan, bewees Sjoerd de Jong met zijn respectvolle in memoriam in NRC Handelsblad. Dieptepunt in de berichtgeving rondom Anil Ramdas betrof echter de smakeloze manier waarop GeenStijl hem uitgeleide deed: ‘RIP, want over de doden niks dan goeds. Opdat hij moge reïncarneren in een veel aardiger persoon.’

De dood van Ramdas werd snel overschaduwd door een bijna-doodgeval, dat van prins Friso. Diverse skileraren, koningshuisdeskundigen en lawine-experts vielen over elkaar heen om hun visie in de media te geven. NRC-journaliste Jannetje Koelewijn was toevallig in Innsbruck. Haar man, neurochirug, vroeg de behandeld arts naar de toestand van prins Friso en als echtgenote luisterde zij mee. Ze zei erbij dat ze journalist is en verslag zou uitbrengen in de krant. NRC plaatste de weerslag van het gesprek op de voorpagina. Dat was een weinig gracieuze privacyschending. Wat zou deze journalist ervan vinden als heel het land mag delen in het heuglijke nieuws dat haar IVF-pogingen (fictief voorbeeld!) zijn gelukt? Haar echtgenoot liet immers in het radioprogramma Dit is De Dag weten dat hij het minder erg vond om positief medisch nieuws te delen, temeer daar er veel onjuistheden in de media stonden.

In hun jacht op intiem kapitaal negeert de journalistiek wel vaker het fatsoen en de privacy. Neem het interview in de Telegraaf met het 9-jarige jongetje Ruben, de enige overlevende van de vliegramp in Tripoli in 2010. Daarover oordeelde de Raad voor de Journalistiek later dat dit een te grote inbreuk op zijn privacy was.

De neerlandica Marita Mathijsen beschreef in de column ‘Harry en de botheid van de media’ in NRC Handelsblad treffend hoe zij werd belaagd door de pers toen bekend werd dat Harry Mulisch ernstig ziek was. Mathijsen staat bekend als Mulisch-kenner en vriendin van de schrijver. Nog voordat hij was overleden, werd ze gebeld door diverse programma’s die haar wilden hebben voor ‘als het zover mocht komen’. Een van hen zinspeelde daarbij op het prettige contact dat ze eerder hadden gehad tijdens het maken van een documentaire over Mulisch.

Het bericht van zijn dood vernam ze niet uit de mond van de familie, maar via de pers. „Op zaterdagavond 30 oktober werd ik om kwart over acht gebeld. Geen condoleances, geen inleidende woorden door de presentator van Y. ‘Het is zover. Kan ik een taxi sturen? Ik heb al gebeld met X, maar die hebben maandag pas uitzending en dan hoeven ze jou niet meer, want dan wijden ze niet meer het hele programma eraan.’ Ik zei dat ik nog niets van de familie gehoord had, dat er een afspraak was dat de uitgeverij het overlijden bekend zou maken.’

Mathijsen noemt de programma’s, journalisten en redacteuren niet bij naam. Vermoedelijk wil ze zich niet verlagen tot dezelfde sensationele praktijken, maar aandacht vragen voor het principe, niet voor de individuele programma’s en figuren. Dat principe is: de ‘hoernalistiek’ (W.F. Hermans) gaat over lijken.

Ik verheug me intussen op de uitvaart van Stevie Wonder. Dat wordt tenminste een liefdevol feestje.