32.000 jaar oude plant bloeit op

De mammoetsteppe leeft! Russische onderzoekers zijn erin geslaagd gezonde planten op te kweken uit zaad dat zo’n 32.000 jaar geleden in Siberië werd gevormd. Nooit eerder is het gelukt zulk oud plantaardige materiaal ‘tot leven’ te wekken. Het record stond tot dusver op zaden van ongeveer tweeduizend jaar oud.

Het kweeksucces wordt deze week beschreven in de Proceedings of the National Academy of Sciences, eerste auteur is Svetlana Yashina. Het betreft planten van de soort Silene stenophylla, uit de familie Caryophyllaceae, die behalve silene ook muur, hoornbloem en wilde anjers bevat. De genoemde silene komt ook vandaag nog voor in Siberië en Alaska.

Het nog levensvatbare zaad werd 38 meter diep onder het maaiveld aangetroffen in de oevers van de Oost-Siberische rivier Kolyma. Al een jaar of tien geleden ontdekte men daar in de permafrost, tussen botresten van mammoeten e.d., enige tientallen goed geconserveerde voedselopslagplaatsen van de arctische grondeekhoorn Urocitellus parryii. Dit diertje legt voorraden aan vóór hij in winterslaap gaat. De betreffende holletjes waren destijds al pal tegen het ondergrondse ijs aangelegd en zijn sindsdien nooit meer ontdooid. Ze bevatten per kamer honderdduizenden zaden en vruchten. De leeftijd ervan kon met behulp van moderne koolstofdatering (AMS) worden bepaald op 31.800 jaar. De leeftijd van het omringende bodemmateriaal was eerder geschat op 27.000 tot 60.000 jaar, het is in de laatste ijstijd afgezet.

In 2002 rapporteerde de groep van Yashina al dat sommige van de aangetroffen zaden tekenen van leven vertoonden als geprobeerd werd ze te laten kiemen. Dat gold voor zaden en vruchten van een zeggesoort, een zuring en een veenbesachtige plant maar in het bijzonder voor de Silene stenophylla. Met de laatste zijn de kweekproeven voortgezet. Daarbij werd onder steriele omstandigheden materiaal verzameld uit dat deel van het zaad waar zich de zogenoemde placenta bevindt. Op een juiste voedingsbodem groeiden daaruit fertiele plantjes, dus plantjes die – na kruisbestuiving – ook zelf weer zaad konden zetten. De bloemen waren eerst vrouwelijk, maar later net zo tweeslachtig als de bloemen van de ‘moderne’ S. stenophylla. Wel hebben zij kleinere, minder diep ingesneden kroonblaadjes.