Zijn brein

Mooie kop had mijn krant zaterdag op de voorpagina: ‘Hoe zal het brein van Prins Friso zich houden?’ Helemaal in lijn met neurobioloog Dick Swaab, samengevat in zijn bestseller Wij zijn ons brein. Deze prins lijkt ook graag zijn brein te zijn. Met het koninklijk gedoe eromheen wilde hij altijd zo min mogelijk te maken hebben. Door zijn huwelijk verspeelde hij efficiënt zijn rechten op de troon. Het brein was nu vrij om te gaan waarheen het wilde. Ongebaande paden op, ook toen de sneeuwmassa rond Lech zo delicaat was dat één persoon een gevaarlijke lawine kon veroorzaken.

Friso heeft kennelijk een brein om trots op te zijn. Dat mogen de journalisten dan weer wél opschrijven: „Intelligent, bescheiden en scherpzinnig”, meldde deze krant ook. Mij lijken dat overigens drie privacygevoelige kwalificaties op een rij. Wie dat niet ziet moet ze maar eens in het tegendeel veranderen.

Ik wens Friso een oersterk brein toe en denk aan zijn moeder, zijn echtgenote en kinderen, zijn broers. Zoals iedere Nederlander, maar ook iedere Zwitser of Oezbeek dat zou doen. Zo gaat dat, als je hoort dat iemand onder een lawine is gekomen. Zo slecht is de mens dus nog niet. En als een plichtsgetrouwe verslaggever van de Lechse Bazuin bericht hoe het met een lawineslachtoffer gaat, dan noemen we die journalist niet van de duivel. Die doet gewoon zijn werk.

Alles wordt uiteraard anders wanneer we het over de koninklijke familie hebben: een typisch Nederlandse traditie. Lees Tegels lichten van H.J.A. Hofland. De Nederlandse pers zweeg vanouds graag beleefd. Duitsers onthulden intussen de Greet Hofmans-affaire. Spanjaarden meldden het bestaan van een Spaanse katholiek op wie prinses Irene verliefd was. Duitsers vonden Claus von Amsberg. En de Amerikanen onthulden dat koningin Juliana het doodvonnis van een oorlogsmisdadiger tegenhield.

Van later is de kwestie-Emily. De eerdere vriendin van de kroonprins. In 1998 was het ‘uit’, wat niet van belang was. Het was immers uit. Maar alle kranten brachten het. Zoals Harry van Wijnen, die veel over de monarchie publiceerde, destijds zei: „De sacraliteit van het normale leven hadden we al doorbroken. Nu werd het tijd voor het koningshuis.”

Sinds Emily is staatsrechtelijke relevantie geen ijkpunt meer voor berichtgeving over deze familie. Je kunt dat niet leuk vinden, zoals Beatrix een jaar later liet merken toen zij op een feestje tegen twee collega’s en mij mopperde dat „de leugen regeert” in de vaderlandse pers. Maar het is niet meer terug te draaien.

Van de beroepscode van artsen heb ik nauwelijks verstand. En persoonlijk zie ik de koninklijke familie liever niet steeds op de voorpagina. Maar voor journalisten die hun vak serieus nemen spreekt berichtgeving vanzelf. Ook over dit brein. Amerikanen noemen zoiets overigens een no-brainer.