Suk

E r moet een tijd zijn geweest dat er na een voetbalwedstrijd geen microfoons aanwezig waren. Als je goed had gespeeld, vertelde je dat in de kantine aan de voorzitter van de club en daarna ging je naar huis.

Tegenwoordig ontkomt een opvallende speler of trainer niet aan het professioneel praatje achteraf. Drie minuten maximaal, met drie vragen en – als het meezit – drie antwoorden. De journalist zet een valletje en de blinde mol snuffelt zenuwachtig aan de spons voor zijn neus.

Gisteren verloor titelkandidaat PSV kansloos met 3-0 van FC Groningen. De grote smaakmaker van de wedstrijd was Suk Hyun Jun, kortweg Suk. De Zuid-Koreaan scoorde twee keer. Met name de laatste goal was adembenemend. Suk kreeg onverwacht de bal, zag dat de keeper te ver van zijn doel was en schoot vanaf veertig meter raak.

Suk. Daar moest dus mee gesproken worden. En met verliezer Fred Rutten, de trainer van PSV. Rutten heeft al duizend keer zo’n achterafpraatje gedaan, maar dat forse aantal vlieguren heeft van hem geen vlotte spreker gemaakt. Over de wedstrijd: „Het is een collectief gebeuren.”

Het woord gebeuren is een redding voor mensen met een beperkte woordenschat. Alles eindigt op gebeuren: het voetbalgebeuren, het penaltygebeuren, het hooligangebeuren.

Suk stond voor hetzelfde sponsorbord. De Groningse fans hadden hem net nog toegezongen toen hij een publiekswissel kreeg. Een woordenschat heeft hij niet. Suk is een Zuid-Koraan die enorm zijn best doet om Nederlands te spreken.

De verslaggever vroeg aan Suk of hij nog eens wil uitleggen hoe hij het fenomenale doelpunt maakte. Suk glimlachte zijn ogen klein.

„Ja, ik voor een schot, David kom, ik dach, toen was, dach, moet schieten eh, David David weg weg en dan: ik schot, daarna ik scoor, ja.”

Ik heb staan juichen voor mijn televisie bij dit authentieke antwoord. Diep de hoed af voor Suk en de geduldige verslaggever. Mijn overburen zullen gedacht hebben dat het voor de schaatsers Ireen Wüst en Sven Kramer was. Ja, dat was mooi ja, maar Suk sloeg alles.

„Ik schot, daarna ik scoor.” Het kan een klassieker worden in de interviews achteraf. Alles beter dan het veelgebruikte ‘Ja, hij zat er lekker in’.

De verslaggever wilde nog meer horen van de held van de dag. Hij vroeg of het geluk was geweest dat de bal van die afstand in het doel plofte. De fonetische Suk: „Dat is gelukkig scoren, ik denk geluk, half geluk, half is mijn…”

Het laatste woord van Suk kon ik niet goed verstaan. Het gaf niets. Er was geen speler in de eredivisie die zo vaak het woord geluk in zijn mond durfde te nemen als Suk. Hij mocht dan zeer moeilijk verstaanbaar zijn, Suk was zo aanraakbaar als de pest. Ik zou bijna zeggen dat het interview met hem voor mij een emotioneel gebeuren was.

Nog één vraag aan Suk. Was dit de mooiste goal die hij ooit had gemaakt? Suk: „Sorry?” Nog een keer dezelfde vraag. Suk: „Ooit?”

Ooit. Ik bestudeerde het woord en besefte hoe idioot die vier letters achter elkaar stonden. Bij ooit hoorde vanaf nu het vraagtekenhoofd van Suk.