'Rain Man' is te braaf en veilig

De voorstelling ‘Rain Man’ van De Utrechtse Spelen legt een dilemma bloot. Moet een gesubsidieerd gezelschap een succesfilm op toneel brengen?

Rain Man van Dan Gordon door De Utrechtse Spelen. Regie: Jos Thie. Gezien: 19/2, stadsschouwburg Utrecht. Inl. deutrechtsespelen.nl.

Belangrijke vraag in tijden van bezuinigingen: wat willen wij dat gesubsidieerd theater biedt? Van het gesubsidieerde gezelschap De Utrechtse Spelen ging gisteren Rain Man in première – een voorstelling die in alle opzichten een commerciële productie had kunnen zijn.

Dat begint al met het bekende verhaal, naar de film uit 1988, met Tom Cruise en Dustin Hoffman. Een keuze op basis van herkenbaarheid. In de vrije sector is zo’n keuze, hoewel gemakzuchtig, best begrijpelijk: daar moet elke cent worden terugverdiend, en dienen de zalen dus vol te zijn. In het gesubsidieerde circuit hoefde dat tot dusver niet. Daar kon, met behulp van gemeenschapsgeld, theater worden gemaakt dat niet puur dreef op herkenbaarheid en amusement, maar dat belang had: dat ontregelde en verbaasde, dat ongemakkelijk was en leerzaam. Dat idee strookt niet met de ‘kijkcijfereis’ die Halbe Zijlstra het gesubsidieerd toneel heeft opgelegd: de sector die tot taak heeft kwetsbaar cultureel erfgoed te brengen, waar niet vanzelf een groot publiek voor is, dient voortaan juist dat grote publiek te bereiken. Het is dezelfde ongemakkelijke spagaat als waar de publieke omroep in verkeert.

De Utrechtse Spelen van artistiek leider Jos Thie was het tijdperk Zijlstra vooruit, met het voornemen om 50 procent eigen inkomsten te halen. Op zichzelf geen onheus streven, en ook niet per se strijdig met artistieke kwaliteit, getuige hun even geslaagde als succesvolle producties Orfeo en Augustus: Oklahoma. Maar in de voorstelling Rain Man, hoe sympathiek vaak ook, lijkt het evenwicht tussen artistiek en commercieel nu toch zoek.

Dat begint dus al met de keuze: waarom zou je deze film op toneel brengen? Wat wil je er nu mee zeggen? Wat is aan dit verhaal toneelmatig toe te voegen? Bar weinig, zo blijkt. Het toneelstuk leunt volledig op de ontroering die de film ook al bood: om de schuchtere toenaderingspoging tussen de snelle, egocentrische Charlie Babbit (Benja Bruijning, die een volmaakte Tom Cruise-imitatie weggeeft) en zijn autistische broer Raymond – een hartveroverende Paul R. Kooij, die de herinnering aan Dustin Hoffman doet verbleken. Die ontroering is ook hier bij vlagen sterk, maar dat voelt toch een beetje vals – daarvoor kun je net zo goed de film huren. Bovendien is het verhaal intussen nogal gedateerd, en hebben de makers niets gedaan met nieuwe inzichten over autisme.

Decor en enscenering met rustieke, weinig interessante videoprojecties en neutraal meubilair zijn conventioneel, net zo min opzienbarend als aanstootgevend – ook al zo’n keuze om een groot publiek te behagen.

Daarnaast bedient Thie zich nog van een ander commercieel trucje: boek een Ster in een bijrol. Dat is hier actrice Anna Drijver, wier optreden in het beste geval functioneel kan worden genoemd. Dat euvel geldt een groot deel van de cast. Benja Bruijning is aanvankelijk nog wel geestig als de enkel in geld geïnteresseerde Charlie. Strak in het snelle pak beweegt hij zich vol ongeduld over het podium, headset van zijn mobieltje standaard achter zijn oor geplakt. Elke emotie wijst hij af, hij walst als een sneltrein over alle gevoelige communicatie heen, páts! Zelfs de mededeling „je vader is dood”, pareert hij nog met een snelle, geagiteerde soundbite.

Maar de ontwikkeling die zijn personage vervolgens zou moeten maken, naar een zachter, wijzer mens, met meer zelfkennis en meer toegang tot zijn gevoel, komt bij hem nogal uit het niets. Er zijn twee ontroerende momenten tussen de broers: de eerste keer dat Charlie Raymond in een hotel in bed legt, waarbij hij, verwonderd maar geduldig, de dwangneurotische rituelen van zijn broer gadeslaat: kussen gladstrijken, pantalon netjes in vieren vouwen, sokken in een bol op de linkerschoen leggen. Dan zie je bij Charlie even een vlaag van tederheid. En de scène waarin Charlie Raymond leert dansen, en die laatste binnen zijn beperkte communicatieve vaardigheden iets van enthousiasme laat zien.

Maar verder hanteert Bruijning alsmaar hetzelfde, opgewonden register, de felle toon, de drift. Hij lijkt nauwelijks iets te leren van de omgang met zijn broer, zijn toon wordt niet zachter, zijn houding verandert amper. Dat is te weinig om de wending aan het slot te rechtvaardigen, dat Charlie opeens de rest van zijn leven zelf voor Ray wil zorgen. Het is dat we zijn omslag uit de film kennen.

Resteert er één attractie, en dat is Paul R. Kooij. Hij zet een hartverwarmende Raymond neer; de smalle schouders schuchter opgetrokken, de rug krom: angstig, ineengedoken, zijn rugzak als een teddybeer tegen zijn buik geklemd. Kooij spreekt met een mechanisch stemgeluid de repetitieve zinnetjes die wel sterk aan Hoffman doen denken (‘Mee met Charlie Babbit. Met. Charlie. Babbit. Zeker weten. O-ooh.’) maar is tegelijk kwetsbaarder en deerniswekkender dan die ooit was.

Rain Man is een vermakelijke, bij vlagen ontroerende en verder nogal brave voorstelling die aan de film niets toevoegt, en nergens boven een vrije productie uitstijgt. Dat is voor een gesubsidieerd gezelschap te weinig.

    • Herien Wensink