Oplossingen voor vergeten problemen

Onlangs kocht ik op een boekenmarkt een boekje getiteld Receptenschat. Onmisbare Raadgever voor het Huisgezin, bevattende ruim 1000 degelijke middelen. Het is, „met medewerking van vele practische huisvrouwen”, samengesteld door Eugenie Abegg en dr. Herman Alder, en in 1900 uitgegeven door P. Stokvis & Zoon in ’s-Hertogenbosch.

Het bleek een zeldzaam boekje te zijn: in slechts twee openbare collecties is een exemplaar bewaard gebleven, in Tilburg en Amsterdam.

Receptenschat telt 645 pagina’s en heeft de omvang van een zakbijbel. Er staan medische adviezen in, maar ook adviezen over het reinigen en bewaren van kleding en gebruiksvoorwerpen, over het polijsten en boenen van meubels, over het inmaken en bewaren van voedsel, het verdelgen van insecten, enzovoorts.

Opmerkelijk is dat het boekje niet alleen, zoals de meeste concurrerende uitgaven, bedoeld is voor huisvrouwen, maar tevens voor huisvaders. Er staan ook adviezen in over verven, plamuren en het onderhoud van gereedschappen – iets wat mannen vaker zullen hebben gedaan dan vrouwen.

Zelf ben ik een groot liefhebber van dit soort gidsen: ze tonen ons dingen uit het dagelijks leven van onze voorouders die je niet snel ergens anders zult vinden. Dat blijkt al meteen uit het eerste artikel: aandrang. Wat moest je volgens Receptenschat doen als je geconstipeerd was? Koude lendendoeken aanbrengen bij de endeldarm, of 2 à 3 minuten een koud zitbad nemen.

Voor geconstipeerde kinderen werd een andere remedie aangeraden: een halve eetlepel waszalf vermengen met 5 tot 8 druppels opiumtinctuur (!), hiervan een „pinnetje ter grootte eener boon” kneden en dit bij het kind inbrengen. Voor de goede orde: Herman Alder was een Duitse arts (Receptenschat is naar het Duits bewerkt) en hij heeft een uitgesproken hekel aan kwakzalversmiddeltjes.

Natuurlijk tref je in dit soort boekjes ook veel ouder taalgebruik aan. Wij zeggen spatader, indertijd zei men aderspat. Als tijdelijke oplossing tegen „stinkende adem” raadt Receptenschat geen pepermuntjes aan, maar pepermuntkoekjes (overigens bestonden pepermuntjes toen al). Wij korten bijvoorbeeld af als bijv. of bv., Receptenschat schrijft steevast b.v.b.

Het mooist vind ik de oplossingen voor problemen waar ik helemaal niet aan zou hebben gedacht. Hoe krijg je een conservenblik open? „Tot het openen van blikken doozen bedient men zich van eigenaardige messen, die in alle grootere ijzerwinkels te krijgen zijn. Heeft men echter zulk een werktuig niet bij de hand, dan plaats [sic] men op het deksel der bus of doos een heetgemaakt plat stuk ijzer (een strijkijzer) waardoor het soldeersel loslaat.”

Die „eigenaardige messen” zijn natuurlijk blikopeners!

Hoe voorkwam je dat gordijnen in de fik vlogen (ze weken in „phosphorzuren ammoniak”), hoe vermeed je dat muizen de etiketten van je potten met ingemaakt voedsel vraten (niet met meelstijfsel maar met lijm vastplakken), hoe voorkwam je „gele ringen” onder je ogen („dit zijn de gevolgen van eene zittende leefwijze; veel beweging in de vrije lucht!”)

Het is lastig om te beoordelen of veel moeders en vaders indertijd de adviezen hebben opgevolgd. Ik heb geen bespreking van Receptenschat kunnen vinden, maar aangezien het boek, dat in Duitsland diverse drukken heeft gekend, „met medewerking van vele practische huisvrouwen” is geschreven, vermoed ik dat het een redelijk goed beeld geeft van de toenmalige stand van zaken in veel huishoudens.

Tot slot: van wanneer het fabeltje dateert dat de krant van gister alleen deugt als pakpapier voor vis weet ik niet, maar Receptenschat kende in 1900 nog veel meer nuttige toepassingen voor oude kranten. Onder het kamertapijt leggen tegen mot („werkt zoo goed als kamfer”), uitstekend om bont en kleding mee in te pakken, en een kruik met ijswater blijft zelfs in de heetste zomernacht koel, mits verpakt in krantenpapier.