Meer en andersoortige artsen

Lang hebben overheid en medici de aanwas van het aantal artsen beperkt gehouden. Een numerus fixus bepaalde de toelating tot de universitaire studie. Het principe van (gewogen) loting was een domper op het enthousiasme van de beste studenten. En vervolgens werd ook nog het aantal plaatsen voor specialistische vervolgopleidingen klein gehouden.

Deze vorm van regulering is onhoudbaar geworden. Tegen 2025 moet het aantal artsen met een kwart zijn toegenomen om de gezondheidszorg in het vergrijzende Nederland op peil te houden. Dat komt neer op circa 15.000 medici meer, bovenop de 60.000 die staan geregistreerd. In het regeerakkoord stond daarom dat de numerus fixus in vijf jaar zou worden opgeheven. Het kabinet heeft nu op voorspraak van minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) de eerste aanzet gegeven.

Numerus fixus en loting worden afgeschaft. De universiteiten krijgen meer te zeggen over de vraag wie ze wel en niet toelaten. De Rijksoverheid betaalt de studie van maximaal 3.050 aspirant-medici.

Komend academisch jaar kunnen al 200 studenten extra worden toegelaten, bij voorkeur de studenten die willen overstappen van verwante studies als biomedische wetenschappen. Dat aantal zal groeien tot 800. De specialistische opleidingen krijgen er 300 plaatsen bij. Ook bij de vakopleidingen in het hbo schept de regering ruimte door niet 400 maar 700 verpleegkundig specialisten en ‘physician assistants’ (nieuw vak) op te leiden. Meer studieplaatsen zijn onvermijdelijk, alleen al in verband met de vergrijzing. Er zijn meer redenen. Zo zijn de numerus fixus en andere toelatingseisen karakteristiek voor het gilde dat de medische stand ooit was. Niet voor niets horen de Nederlandse specialisten nog steeds tot de beter betaalde medici ter wereld. Dat organisatiemodel laat zich niet verzoenen met de marktwerking die Schippers wil bevorderen. Als toegang tot de medische wereld wordt beperkt om andere dan vakbekwaamheidsredenen, wordt marktwerking een zinledig begrip.

Ten tweede verandert de aard van de beroepsgroep. De archetypische arts die werkt voor twee – meestal een man die ook nog verdient voor twee – bestaat niet meer. Huisartsen, zowel mannelijke als vrouwelijke, werken vaker parttime. De meeste specialisten houden nog wel een fulltimeritme aan, maar doen dat in loondienst. Nog maar tweevijfde is vrij gevestigd. Deze veranderingen zijn structureel en worden alleen opgevangen als meer artsen en assistente diverser zijn opgeleid.

Het kabinet sluit met het verruimen van de opleidingscapaciteit en het afschaffen van de loting hierop aan. Dat is verstandig beleid.