Jürgen Habermas maakt zich kwaad

Jürgen Habermas: Over de constitutie van Europa. Klement, 120 blz. € 18,90

De Duitse filosoof Jürgen Habermas is een van de grootste levende filosofen. Als hij zich kwaad maakt, op 82-jarige leeftijd, is dat nieuws. En Habermas is kwaad, op al degenen die, zoals hij het formuleert, het ideaal verkwanselen van een open, democratisch Europa dat meer is dan de som der naties. Daarom heeft hij, midden in de grootste crisis die de Europese Unie ooit heeft doorgemaakt, een boekje geschreven met een pleidooi voor méér en vooral een democratischer Europa. Als het niet zo filosofisch-grondig was geschreven, zou je het een pamflet kunnen noemen.

Zelf spreekt hij van een essay. Over de constitutie van Europa, zo heet het in de Nederlandse vertaling. ‘Constitutie’ heeft in die titel vreemd genoeg geen hoofdletter gekregen, hoewel Habermas pleit voor een ingrijpende herziening van het institutionele raamwerk van Europa. Wat fout gaat, schrijft Habermas, is dat de regeringsleiders te veel macht naar zich toe trekken, ten koste van supranationale instellingen als de Europese Commissie en vooral het Europees Parlement.

Wie een recept verwacht om uit de huidige problemen te komen, komt bedrogen uit. Habermas geldt als een linkse filosoof, maar als hij schrijft over de macht van de financiële markten, gaat dat in erg algemene termen. Veel verder dan de constatering dat regeringsleiders door de financiële sector onder druk worden gezet, gaat hij niet. Dan was de Spaanse oud-premier Felipe Gonzalez een stuk concreter, toen hij vorige maand schreef dat sociaal-democraten te veel aandacht besteden aan het oplossen van de gevolgen van de crisis en te weinig aan de veroorzakers ervan – volgens Gonzalez de speculanten die (soms hun eigen) banken zo in gevaar brachten dat die voor veel geld moesten worden gered door de staat.

Habermas wil het primaat van de politiek herstellen. Hij stelt dat Europa „post-democratisch” is geworden. De regeringsleiders nemen samen vergaande besluiten en komen in hun parlementen vertellen dat er geen andere keuze is. Ze hebben niet het lef of de visie om keuzes voor te leggen aan hun kiezers, uit angst voor een populistische anti-Europese reflex. Habermas wil een versterkt burgerschap van de EU. Europa moet meer mogelijkheden bieden om burgers te betrekken bij de besluitvorming. Hoe dit praktisch georganiseerd moet worden, blijft onduidelijk, net als de vraag waarom meer democratie vanzelf leidt tot meer solidariteit, zoals Habermas hoopt.

Daarmee blijft dit boekje wat utopisch. Zeker zolang pleidooien voor ‘meer Europa’ en ‘meer democratie’ nog moeilijk met elkaar te rijmen zijn. Habermas’ verdienste is dat hij wijst op het gevaar dat de eurocrisis vormt voor de democratie. Zijn belangrijkste boodschap: regeringsleiders en Europese Commissie maken een enorme vergissing als ze de crisis willen oplossen zonder dat er in de samenleving steun is voor die oplossing.

    • Marc Leijendekker