In het ziekenhuis van Innsbruck op zoek naar de feiten

Queen Beatrix, right, of the Netherlands and her daughter-in-law Princess Mabel arrive at the hospital in Innsbruck, western Austria, Sunday, Feb 19, 2012, two days after the Queen's second son Prince Johan Friso was rushed to the intensive care unit of Innsbruck's main hospital after he was buried by an avalanche. (AP Photo/Kerstin Joensson) AP

Een journalist gaat zelfstandig op zoek naar feiten, zou je denken. Maar het kan soms lijken alsof feiten alleen van persvoorlichters zijn, of van ziekenhuismanagers. Dat zij alleen mogen bepalen wat wanneer naar buiten mag komen en op welke manier.

Toen ik vrijdagmiddag hoorde dat prins Johan Friso in de Universitätskliniken in Innsbruck was opgenomen, dacht ik: ik zou een dweil zijn als ik niet probeerde om meer aan de weet te komen.

Natuurlijk had ik het voordeel dat mijn echtgenoot neurochirurg is en was uitgenodigd om dit weekend te spreken op een cursus voor jonge vakgenoten. Hij ging vrijdagmiddag meteen naar het ziekenhuis om te horen of het waar was wat de Oostenrijkse media op dat moment zeiden: dat de prins een schedelbasisfractuur had. Hij liep te vloeken: dat zou ongeloof lijk sneu zijn, want dan had die jongen geen kans.

Ik vroeg of ik mee mocht. Dat mocht. In het ziekenhuis kwam de hoogleraar neurochirurgie van de Universitätskliniken naar mijn echtgenoot toe, en vóórdat het gesprek begon, zei mijn man: ,,Dit is mijn vrouw, zij is journalist, ze gaat over de zaak berichten in haar krant.” Dat was goed. De twee artsen praatten samen en ik stond erbij. Ik mocht niet alles horen, maar wel twee belangrijke feiten: dat de neurochirurg net de CT-scan had bekeken en daarop 1. geen schedelbasisfractuur had gezien, en 2. op dat moment geen zwelling van het brein constateerde. Andere feiten besloot ik niet te publiceren vanwege de privacy.

Daarna ben ik naar de intensive care gelopen, om te kijken of ik een andere arts kon spreken, voor een bevestiging. De intensive care was afgesloten. Ik belde de krant en zei: ik kan alleen verslag doen van wat ik gehoord heb. Dat leek me het eerlijkst en het meest transparant.

Daarna ben ik mijn verhaal gaan tikken, in het restaurant waar de neurochirurgen zaten te eten. Mijn man zat links van me, zijn Oostenrijkse collega rechts. Ze moesten hun borden opzij schuiven zodat mijn laptop op tafel kon staan. Toen ik klaar was, heeft mijn man het stuk gelezen en aan zijn collega verteld wat ik geschreven had. Zijn collega had nog een aanvulling: dat niemand wist hoe lang de patiënt precies onder de sneeuw had gelegen, en dat de prognose nog dagen onzeker zou blijven.

De twee artsen wisten natuurlijk dat het precair was om te praten waar ik bij was. Mijn man zei tegen zijn collega: ik neem de verantwoordelijkheid, you can put the blame on me.

Nadat ik het stuk naar de krant gestuurd had, kreeg ik de hoofdredactie aan de telefoon. Of mijn man wel wist wat hij deed door deze informatie naar buiten te brengen. Hij sliep al. Ik heb hem drie keer wakker gemaakt en bij de derde keer begon hij te grommen: „Hou toch op, het is belangrijk dat die onzin over de schedelbasisfractuur uit de wereld wordt geholpen, en dat het brein er nu in elk geval nog goed uit ziet.”

De volgende ochtend kreeg ik ongeveer alle collega’s van de andere media aan de telefoon: of ik kon herhalen wat ik gehoord had. Dat heb ik gedaan. Een journalist die andere journalisten inlicht. Het geeft een gek gevoel. Maar het is onvermijdelijk als er verder geen openheid wordt gegeven.

Om een uur of elf – ik was in het ziekenhuis – kwam de perswoordvoerder van de Universitätskliniken naar me toe, woedend. Wat ik wel niet dacht en het was allemaal „quatsch” wat ik had geschreven. Ik vroeg wat er dan niet klopte. Maar hij wilde geen antwoord geven.

Er werd een breedgeschouderde bewaker op me afgestuurd. Ik dacht dat hij me het ziekenhuis zou uitzetten, maar dat was niet zo. Ik mocht gaan en staan waar ik wilde, zei hij. Ik liep naar m’n man in de collegezaal: is het quatsch wat jullie me hebben verteld? Hij ging naar zijn collega, praatte even, en kwam weer terug: „Geen quatsch”.

Een feit bleek niet te kloppen, hoorde ik zondagochtend bij het ontbijt in het hotel. Ik had geschreven dat de collega van mijn man degene zou zijn die een gaatje in de schedel van de patiënt zou boren als de druk in het brein zou oplopen. In de Universitätskliniken doet niet de neurochirurg dat, maar de traumatoloog. Op de krant hadden ze in de inleiding boven mijn stuk gezet dat de collega van mijn man ‘behandelend arts’ was. Dat klopte sowieso niet. Had ik het op tijd geweten, dan het ik het gecorrigeerd.

Bij het ontbijt, zondag, hoorde ik ook dat een van de neurochirurgen de MRI-scan van ongeveer 24 uur na het ongeluk had bekeken. Daarop waren geen bijzonderheden te zien geweest, zei hij. De neurochirurgen om me heen werden er opgewonden van. Mijn echtgenoot zei dat het belangrijk nieuws was. Een CT-scan zonder bijzonderheden en na 24 uur een MRI-scan zonder bijzonderheden: die jongen had nog een kans.

Ook dat nieuwsfeit heb ik die ochtend aan de krant doorgegeven. Dat bericht werd geplaatst op de website. Ik zette erbij: het blijft onzeker hoe de toestand van de hersenen zich zal ontwikkelen als het lichaam van de prins weer op de normale temperatuur wordt gebracht en de narcose wordt opgeheven.

jannetje koelewijn

    • Jannetje Koelewijn