Fragmenten uit ‘Spring’

Tante Ro had een geheim. Het zat in een bruinkartonnen koffertje. Het plakband dat eromheen zat, had deels losgelaten en was half vergaan. Het slotje was verroest en werkte niet meer. Zelden haalde tante dit koffertje tevoorschijn. Pas op dagen dat mijn kinderen erom vroegen als ze voor school een voordracht of opstel moesten maken. Dan gingen de deuren van haar mahoniehouden kast open, ze verplaatste een aantal van haar stukgelezen Agatha Christies. Tante leek wel wat op het portret op de achterkant van de pockets. Zij kon ook spannende verhalen vertellen, alleen had ze die niet genoteerd en ook niet mooier gemaakt, maar de verhalen waren wel heel griezelig.

Mijn haar hing in slierten voor mijn ogen. Ik zat, mijn benen opgetrokken en mijn armen rond mijn knieën, verwilderd op de bank. Het was donker in de kamer. Ik opende het gordijn van haar, rende de trap op en gooide me op het bed. Pakte Freeks hand en kroop als een dier in zijn holletje. Hou op met dat verrekte zelfmedelijden. Dankbaar zijn, herhaalde ik de volgende dag. Dankbaar. Het is een vreselijk woord, maar je verdriet kan erin oplossen. Je hoeft elkaar niet altijd te begrijpen. Het gaat om vertrouwen, zoals bij ijs dat wel kraakt maar niet breekt.

Fragmenten uit ‘Spring’