Droom maar weg, zegt de olijfboom

Wat zijn de kleine verhalen waar de moderne mens in gelooft? Wekelijks vertelt Arjen van Veelen zo’n moderne mythe. Vandaag: waarom er olijfbomen groeien op treinperrons.

Olijfboompjes, een stuk of acht, op de perrons van station Amsterdam Amstel. Ze zijn nog jong, zo’n twee meter hoog, met stammen als spillebeentjes. Ze staan gepoot in plantenbakken ter hoogte van de rookpalen. Kompanen voor de wachtende forens.

Bij ons kunnen ze niet echt gedijen. Nooit zullen ze worden als de olijven van Vincent van Gogh: wild en knokig en woest blauwgroen. Exoten zijn het, anomalieën, als goudvisjes in een boerensloot.

Vlak na de eeuwwisseling kwamen ze opgerukt uit het zuiden. Olijfjes op vensterbanken. Olijfjes in voortuintjes. Olijfjes op caféterrassen. Soms kwamen ze ze zelfs als complete bossen. Zoals op het Mr. Visserplein in Amsterdam, waar de gemeente vijfentwintig Spaanse olijfbomen plantte. De oudsten tellen 350 jaarringen. In de winter, als het vriest, krijgen ze een ‘boomjas’ tegen de kou.

Wat komen ze hier doen? Is dit globalisering? Klimaatverandering? Of is dit normaal, en staan er in Italië voor de sier knotwilgjes op de perrons? Hebben de mensen in Palestina soms kleine iepjes in de vensterbank?

De olijfboom was ooit heilig. Het was de eerste wilde boom die de mens wist te temmen, duizenden jaren geleden. De Griekse dichter Homerus bezong hem. De Bijbel en de Koran noemen hem een godsgeschenk.

‘Symbool voor vrede, trouw en liefde’ – die tekst komt dan weer van de webshop van Dille & Kamille: „winkels met een ziel”, waar je de boompjes ook kunt kopen.

Vrede, liefde, ja – maar de olijfboompjes op het station vertellen een ander verhaal: dat van de wachtende mens. Stompzinnig stilstaan naast het gapend ravijn van het spoor, zonder afleiding, omringd door een totale afwezigheid van bekenden – het is een groot modern ongemak.

Een reiziger vertoeft gemiddeld zeven minuten op een station, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Maar het interessante: hij schat die wachttijd gemiddeld dubbel zo hoog in. Als een kwartiertje dus. Net zoals gevoelstemperatuur bestaat er ook gevoelstijd. In jargon heet dat: wachttijdbeleving.

Gelukkig kun je die wachttijdbeleving manipuleren.

In zijn onderzoek Waiting experiences at train stations (2011) beschrijft Mark van Hagen, senior projectleider strategisch onderzoek van de NS, hoe je de gevoelstijd kunt inkorten door de juiste maatregelen te treffen. Reizigers blijken bijvoorbeeld rustig te worden van een stationshal met overwegend koele kleuren, zoals blauw en groen. Ook ‘belevingsmaatregelen’ als muziek of videoschermen met entertainment zijn van invloed.

De NS verbouwde de afgelopen jaren veel grote stations. Sobere wachtruimtes ondergingen ongekende metamorfoses. Een rijk aanbod aan retail ontpopte zich: er kwamen supermarktjes, boekwinkels en Burger Kings; er kwamen Hema’s, kiosken en koffiezaakjes; de Shakies kwam en de Smullers; de Starbucks en de Swirls en ook een Rituals en SissyBoy. Zomaar ergens zitten kan haast niet meer: bijna elk stoeltje of bankje in de hal behoort nu bij een keten.

In die gemiddelde zeven minuten hoeft de forens niet meer te wachten, maar kan hij dingen beleven. Beleven betekent vaak ook: dingen kopen. Dus werden stations winkelcentra. Een soort kleine vliegveldterminals, inclusief beveiligingspoortjes bij de ingang. De wachtende mens wordt gekalmeerd met goede catering. Briljant: zo werd de wachttijd geen sleur, maar een vakantie, een minibreak. Het station werd zelf de eindbestemming, de attractie. Alsof je hier niet wacht op de boemel, maar in de rij staat voor de achtbaan.

Ook het effect van natuur op perrons is onderzocht. ‘Het zien van beplanting op perron blijkt een positief effect te hebben’, schrijft Martin Springer bijvoorbeeld in zijn masterscriptie De invloed van groen op de beleving van de stationsomgeving (2006). ‘Boompjes met een volle kroon zorgen voor een positievere beleving van aantrekkelijkheid en sfeer’.

Vandaar dus die boompjes: als je naast zo’n boom wacht, komt de trein eerder. In je hoofd dan.

Maar waarom juist een olijfboom? Waarom geen dwergmispel of Chinese dadel, bijvoorbeeld, of een lampepoetserplant?

Omdat de olijfboom mediterraans is. Een olijfboompje, zelfs een verpieterde, bevroren variant in een bloembot, zegt tegen ons: Italië! Griekenland! Middellandse Zee! Vakantie! Het is een camouflageboom die verhult dat je op een vrij mistroostig perron staat, dat je op weg bent naar another day in the coalmine.

Om die vakantiesfeer te benadrukken zijn er sinds kort ook allerlei Italiaanse restaurants op de stations geopend. Julia’s, heet de keten. Voor verse authentieke Italiaanse fastfoodpasta in de ochtend- of avondspits.

‘Bij Julia’s’, vertelt de bedrijfswebsite, ‘geloven we in de Italiaanse manier van leven!’. De ‘handgemaakte’ pasta komt uit een kleine fabriek in Terni in Umbrië, ‘met voornamelijk mama’s van boven de vijftig in dienst en waar mama Miracoli de scepter zwaait.’

De bijbel vertelt dat toen Noach na de zondvloed met zijn ark gestrand was op de berg Ararat hij dagen moest wachten tot het water zakte. Als een van de eerste tekenen van leven verscheen er toen een duif met in zijn snavel een olijftakje. Zo werd de olijf het symbool voor een herwonnen paradijs.

Ook de olijfbomen op het perron vertellen ons, wachtenden, een verhaal vol hoop. Het zijn troostboompjes. ‘Droom maar weg’, zeggen ze, ‘je bent niet op een kil perron, wachtend op de boemel naar je computerscherm’.

Nee, je bent op vakantie, in Umbrië, en vanavond zal mama Miracoli handgemaakte pasta voor je koken.

Zou het werken? Op Amsterdam Amstel, aan de voet van de boompjes, onder het zilvergroene lover, liggen de peukjes van de zombies van de ochtendtrein. Heilig boompje werd asbak.

Maar die boompjes hebben geduld. Duizenden jaren oud kunnen ze worden, als het moet. Hun wachttijdbeleving is heel anders.

    • Arjen van Veelen