Breekbare sfeer bij Jaroussky

Philippe Jaroussky (countertenor), Freiburger Barockorchester o.l.v Petra Müllejans. Gehoord: 19/2 Concertgebouw.

De stem van de Franse countertenor Philippe Jaroussky, vorige week 34 geworden, begint in de onderste regionen heel langzaam iets meer diepte te krijgen. Hij klinkt daar nu minder instrumentaal en expressiever. Dat legt een fraai en dramatisch fundament onder zijn nog steeds onwaarschijnlijk engelachtig blanke stemgeluid in de hoogte. Jaroussky is een fenomeen dat in het Amsterdamse Concertgebouw een vrijwel volle en enthousiaste Grote Zaal trok.

De acht aria’s uit Händel-opera’s die Jaroussky zong passen perfect bij zijn huidige vocale mogelijkheden. Die geven kleur en intensiteit aan de wisselende aardse stemmingen, zoals woede, klagen en zuchten. Maar ze kunnen ook eindeloos opstijgen naar een hemels zwevend zoet verlangen, zoals in Mi lusinga il dolce affetto uit Alcina.

Al waren er in dit castratenrepertoire wat coloratuurpassages, Jaroussky gaat daar terughoudender en chiquer mee om dan de extravertere Cecilia Bartoli. Goede smaak en verheffende verstilling stonden hier voorop. Soms héél mooi in langzame lange lijnen, waarin Jaroussky een crescendo laat verglijden in een diminuendo. Zoals in zijn derde toegift, het befaamde Ombra mai fu uit Serse.

Nog twee dingen maakten dit concert memorabel. Voor het begeleidende Freiburger Barockorchester telt ieder detail en elke mogelijkheid om met een variërende klank extra dramatiek te etaleren. Zo was het Concerto grosso op. 6 nr 6 een markant en karaktervol intermezzo, ver van het gemakkelijke meer van hetzelfde, dat zo snel dreigt bij Händel.

Jaroussky waakt als een regisseur over de muzikale stemming en reduceert het applaus. Zo maakte hij zijn entree tijdens het eerste instrumentale nummer. En sloop hij na een aria weg tijdens de inleiding van het volgende instrumentale nummer, om geen afbreuk te doen aan de opgebouwde breekbare sfeer.