Anil Ramdas

‘RIP, want over de doden niets dan goeds”, schreef GeenStijl over Anil Ramdas. „Opdat hij moge reïncarneren in een veel aardiger persoon.”

Zouden ze hem daar wel eens in persoon ontmoet hebben? In de omgang was Ramdas juist een opvallend vriendelijke, wellevende man. Op papier kon hij zich venijnig over zijn tegenstanders uitlaten, zeker als zij hem respectloos bejegend hadden. Bij GeenStijl noemden ze hem „onze favoriete beroepsallochtoon” en tekenden ze hem met een hitlersnor.

Daarmee raakten ze een open zenuw bij hem. Hij bleef zich een allochtoon voelen in Nederland. „We willen westerlingen zijn, Nederlanders zelfs”, schreef hij, „maar tot ver in deze eeuw zullen we worden buitengesloten als niet-westerlingen, als allochtonen, als buitenstaanders.”

Het verklaart zijn aan paniek grenzende ongerustheid over de opkomst van eerst Fortuyn en later Wilders. Een jaar geleden schreef hij in De Groene dat hij vreesde voor „groepsdeportaties, zoals met de Roma in Frankrijk” en ten slotte „biologische maatregelen tegen ‘wat zich hier voortplant”. (Wilders had gerept van ‘zich voortplantende’ allochtonen).

Omstreeks 2004, hij was toen nog directeur van De Balie, had ik een gesprek met Ramdas waarin bleek hoe teleurgesteld hij in Nederland begon te raken. Hij voelde zich in de steek gelaten door een deel van de linkse, intellectuele elite, waaronder ook vrienden. Ze begonnen steeds meer naar rechts te schuiven, hij verweet hun opportunisme en lafheid.

In de jaren daarna ging zijn teleurstelling over in ontgoocheling. Hij bleef waarschuwen voor onderschatting van de PVV, ook toen het nog geen gedoogpartij was. „Vanuit de oppositiebankjes zullen ze alle mogelijke regeringen terroriseren, en daardoor gedaan krijgen wat we vrezen: een land vol haat, sadisme en wreedheid”, schreef hij twee jaar geleden. „De PVV hoeft niet één bewindsman te leveren om de toon van de samenleving definitief te veranderen.”

Dat laatste is al aardig uitgekomen, maar voor het overige ben ik minder somber dan Ramdas: in groepsdeportaties en biologische maatregelen geloof ik niet.

Op de dag dat zijn overlijden bekend werd gemaakt, zag ik ’s avonds een linkse cabaretier, Jeroen van Merwijk, in een volle Kleine Komedie. Hij en Ramdas zijn bijna leeftijdgenoten en ongetwijfeld geestverwanten – toch is er een groot verschil tussen hen. Van Merwijk is een scherpzinnige cabaretier die ‘rechts’ stevig te grazen neemt, maar hij is er vrolijk onder gebleven. Bij Ramdas proefde ik alleen nog bitterheid, geen spot meer, laat staan zelfspot.

Ramdas liet zelfs zijn grote voorbeeld, de schrijver V.S. Naipaul, van zijn voetstuk vallen. In 2010 bekende hij in een essay dat hij een oude rede van Naipaul over onze universele beschaving altijd verkeerd geïnterpreteerd had. Naipaul maakte zich daarin schuldig aan vulgaire westerse hoogmoed, vond hij achteraf.

Ook in Job Cohen heeft hij vurig geloofd. Hij plaatste in april 2010 een oproep in De Groene om op hem te stemmen. „Met Job Cohen kan de droevige, kille, harteloze tijd tussen 2000 en 2010 eindelijk worden afgesloten. Tenzij iets gruwelijk misgaat. Vandaar deze oproep. Het is voor mij van levensbelang. Als de allochtoon die ik tegen wil en dank ben, als de serieuze Nederlander die ik vanuit het diepst van mijn hart wil zijn.”

Er is inderdaad iets gruwelijk misgegaan.

    • Frits Abrahams