Vroeg euthanasieverzoek blijft geldig

Govert den Hartogh verdedigt de arts die solidair blijft aan de euthanasievraag van een demente patiënt.

Een vrouw in een gevorderd stadium van dementie krijgt van haar huisarts de euthanasie waar zij in een schriftelijke wilsverklaring om gevraagd heeft. De regionale toetsingscommissie euthanasie vindt dat de huisarts zorgvuldig heeft gehandeld. Bert Keizer, Gerrit Kimsma en Boudewijn Chabot daarentegen vinden het op z’n minst onzorgvuldig (NRC, 10 februari). Ze zouden zelfs van ‘moord’ spreken als dat niet zo hetzerig klonk.

De auteurs baseren zich op een reconstructie van de gebeurtenissen die NRC-journaliste Antoinette Reerink een week daarvoor publiceerde. Zij vermelden niet dat deze reconstructie op essentiële punten verschilt van de feitenweergave in het oordeel van de commissie. Zo vertelde de huisarts aan de commissie dat de vrouw bij hun laatste gesprek had gezegd: „Niet tussen die demente deuren, ik wil dood, doe toch wat.” Volgens Reerink zei zij alleen: „Doe toch wat.” Leden van een toetsingscommissie gaan af op verklaringen van artsen en consulenten. Ze kunnen niet anders, ze zijn niet van de politie. Als die artsen iets anders vertellen aan een journalist, moet het OM maar beoordelen of dat het vermoeden van een misdrijf oplevert.

Keizer en de zijnen weten al zonder onderzoek dat het feitenrelaas van Reerink klopt en dat van de commissie niet – omdat het beter in hun straatje past? – maar zelfs dat verhaal geven zij tendentieus weer. Zo laten zij buiten beschouwing dat de patiënte niet alleen in 2005 een schriftelijke wilsverklaring opstelde, maar vanaf het moment van de diagnose (2003) tot het moment waarop haar geestesvermogens plotseling dramatisch verslechterden (2010) bij elke voorkomende gelegenheid duidelijk maakte dat zij niet langer wilde leven als zij haar kinderen niet meer zou herkennen en naar het verpleeghuis zou moeten.

Zij vermelden bovendien niet dat alle betrokkenen ervan overtuigd waren dat zij zeer ernstig leed; ook de eerste consulent, die meende dat euthanasie op dat moment wettelijk niet meer door de beugel kon. Hij wilde alleen daarom niet zeggen dat dit lijden ‘ondraaglijk’ was – hij dacht ten onrechte dat er alleen van ondraaglijk lijden sprake kan zijn als de betrokkene dat zelf zo omschrijft.

Daarom is de kritiek van Keizer c.s. dat de huisarts met de tweede consulent een een-tweetje heeft gespeeld misschien wel terecht, maar irrelevant. Ook op basis van het rapport van de eerste consulent was de conclusie al mogelijk dat aan de wettelijke eisen was voldaan, zelfs aan de eis dat het verzoek om euthanasie vrijwillig en weloverwogen was. In die laatste fase was een redelijk gesprek met de patiënte daarover niet meer mogelijk, maar volgens de wet kan de arts in dat geval afgaan op de eerdere schriftelijke verklaring.

In dezelfde NRC wordt de commissie door Klaas Rozemond verweten op dit punt een nieuwe en ruimere uitleg aan de wet te geven. Maar deze uitleg is door de ministers in het Kamerdebat over de euthanasiewet al bevestigd en sindsdien door de toetsingscommissies jaar in jaar uit herhaald. Het is Rozemond die opeens met een nieuwe uitleg aankomt.

Keizer, Kimsma en Chabot zijn niet alleen geschokt door de gang van zaken, zij concluderen daaruit dat huisartsen in geen enkel geval op basis van een schriftelijke wilsverklaring euthanasie mogen uitvoeren bij een dementiepatiënt, als die op dat moment niet meer een actueel verzoek kan doen dat aan de wettelijke eisen voldoet. Hun redenering balanceert op het randje van demagogie. Al zou er op het handelen van de arts in deze casus van alles aan te merken zijn, dan volgt daaruit natuurlijk niet dat alle artsen in vergelijkbare gevallen alleen maar onzorgvuldig kunnen handelen. Als in een ‘normaal’ euthanasiegeval één arts het fout doet, is dat toch ook geen reden meteen euthanasie te verbieden?

De meeste moeite heb ik met de uitsmijter van het artikel, waarin wordt gesteld dat de arts, de tweede consulent en de toetsingscommissie de patiënte niet als een mens maar als een huisdier hebben behandeld, dat je kunt laten inslapen als het baasje dat goeddunkt. Maar mevrouw is behandeld in overeenstemming met haar eigen opvatting van een goed en waardig leven, die ze consistent gedurende vele jaren uitgedragen heeft. Het zijn eerder Keizer, Kimsma en Chabot die haar even niet meer als mens zien, met een eigen karakter en levensverhaal. Zij vinden namelijk dat het waardenpatroon dat haar hele leven heeft bepaald er niet meer toe doet, nu ze het perspectief op haar leven kwijt is van waaruit ze dat nog kan ontkennen of beamen. Daarentegen zou haar instinctmatige verzet tegen een prik met een injectiespuit allesbepalend zijn. Genoeg om haar te veroordelen tot een leven dat ook volgens de auteurs zo ellendig is dat ze er goed aan had gedaan het een half jaar eerder te beëindigen, toen ze dat zelf nog kon.

Ik kan me heel goed voorstellen dat artsen een sterke intuïtieve weerstand hebben tegen het doodmaken van een patiënte die eigenlijk niet begrijpt wat er gebeurt. Die weerstand is stellig nog sterker als de patiënte geen besef meer heeft van haar eigen doodsverlangen, al was dat blijkens de gegevens waar de commissie over beschikte hier niet het geval. Daar staat tegenover dat het voor deze patiënte een zegen was om te mogen sterven. Welke van die tegengestelde overwegingen moet het zwaarst wegen? De meeste artsen zullen evenals Keizer, Kimsma en Chabot van zichzelf weten dat zij onder deze omstandigheden nooit euthanasie zullen kunnen uitvoeren. Dat standpunt verdient respect. Maar het zou van een zekere morele bescheidenheid getuigen als er ook respect werd opgebracht voor de enkele arts die wel bereid is die morele last te dragen, om zo tot het einde met de patiënt solidair te kunnen zijn.

Govert den Hartogh is emeritus hoogleraar ethiek aan de Universiteit van Amsterdam.