Theatraal kolkt de verf

Het ongrijpbare water vastleggen, dat is een mooie opgave voor schilders. Twee tentoonstellingen vol water laten zien hoe vanaf de Gouden Eeuw de golven, het schuim en de spetters zijn verbeeld.

Zoet & zout. Water en de Nederlanders. T/m 10 juni in de Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. www.kunsthal.nl

Schilders aan zee. T/m 28 mei in het Singermuseum, Oude Drift 1, Laren. www.singerlaren.nl

‘Als je je afvraagt hoe je water schildert, kom je al gauw op de vraag: hoe schilder je überhaupt”, zei de schilder Harold Schouten in een radio-interview dat ik jaren geleden met hem maakte. Schouten had zich in water gespecialiseerd. Hij vond het voor een schilder een mooie opgave om zoiets ongrijpbaars, zoiets vloeiends vast te leggen. „Je kunt het niet letterlijk pakken. Zodra je er een strakke contour aan geeft, ontglipt het je. Water is net zo niks als verf in een tube, en net zo véél tegelijkertijd.”

Deze week openden er in Nederland twee tentoonstellingen over water in de kunst. Onder de titel Schilders aan zee presenteert het Singermuseum in Laren schilderijen en werken op papier uit het Museum Kunst der Westküste op het Noord-Duitse eiland Föhr. Sinds 2009 huisvest dat museum een grote particuliere verzameling negentiende- en twintigste-eeuwse schilderijen van het landschap en de bedrijvigheid langs de Noordzeekust tussen Nederland en Noorwegen. Het is verrassend de zee en het vissersleven in de Nederlandse kunst eens door de ogen van een buitenlandse verzamelaar te zien: hij koos niet voor schilders als Weissenbruch en Jacob Maris, die een Nederlandse tentoonstellingsmaker al gauw tevoorschijn trekt, maar voor bijvoorbeeld Andreas Schelfhout en Johannes Klinkenberg. Er hangen ook Scheveningse strandgezichten van de Duitsers Liebermann en Beckmann en de Fransman Boudin. En de zee houdt in Laren niet op bij de Wadden: er worden ons veel noordelijker Noordzeekusten voorgeschoteld, geschilderd door kunstenaars wier werk maar zelden in Nederland te zien is.

De tentoonstelling Zoet & zout in de Rotterdamse Kunsthal beperkt zich wél tot Nederland, maar gaat over veel meer water dan alleen dat van de zee. Bovendien worden er behalve schilderijen ook foto’s en video’s tentoongesteld, en behalve kunst ook nieuwsfoto’s, een oud reclamefilmpje en een fragment uit het Polygoonjournaal. Zoet & zout is een audiovisuele kakofonie over Nederland en het water. Tussen het gekabbel, geruis en gedruppel en de muziekjes van verschillende video’s door klinkt de Polygoonstem van Philip Bloemendal.

Een aardiger en geruislozer combinatie is die van Emmy Andriesses beroemde foto Camperduin (1952) met Rubens’ schilderij Het bad van Diana (1640) – twee beelden van een vrouwelijk naakt dat zich afdroogt na het baden. Zo’n beeldrijm is mogelijk omdat de tentoonstelling niet op chronologie of techniek is ingericht, maar op thema. De baadsters hangen in de sectie ‘plezier’ en verder wordt het water bezien vanuit de invalshoeken ‘strijd’ (dijken, watersnood), ‘verbond’ (sloten en sluizen), ‘gewin’ (scheepvaart en visserij) en ‘mythe’. Dat laatste thema blijft wat vaag. Een softporno-achtige video met onder water dartelende en zoenende naakte vrouwen van Daniëlle Kwaaitaal had beter in de sectie ‘plezier’ gepast en een door Paul Gabriël geschilderde studie van plompebladeren beter bij ‘verbond’, waar ook een close foto van een sloot door Wout Berger en een filmpje van slootwaterdieren door Ed van der Elsken zijn ondergebracht.

In plaats van aan ‘mythe’ had de laatste ruimte in de Kunsthal dan gewijd kunnen zijn aan water in de kunst zonder meer. Want dat aspect blijft onderbelicht in Rotterdam – en eigenlijk ook in Laren, al hangen daar alleen maar schilderijen. In beide tentoonstellingen gaat het vooral over leven en werken met water en nauwelijks over kíjken naar water. Er hangt veel kunst, maar die is er in de meeste gevallen om te illustreren hoe er op, tegen en met water wordt gevochten, hoe erin wordt gevist en gezwommen en hoe erop wordt gevaren en geschaatst. Hoe kunstenaars het stromen, golven en spiegelen zien en weergeven, is van ondergeschikt belang, terwijl – Harold Schouten zei het al – het water zelf voor de schilder nu juist zo’n mooi motief is.

De tentoonstellingsbezoeker met belangstelling voor de verbeelding van water door de eeuwen heen kan daar natuurlijk toch op letten, al moet hij dan langs zeeslagen, schipbreuken, zwemmers en vissersvrouwen heen kijken. Hendrick Cornelisz. Vroom (twee schilderijen in de Kunsthal) maakte rond 1600 de Noordzee nog tamelijk primitief blauw. Vissen zwemmen in golven van glas. De schuimkoppen lijken meer op het gebladerte van bomen of struiken dan op omkrullend water.

Later in de zeventiende eeuw maken Jan van Goyen en Salomon van Ruysdael meer werk van de wolken dan van het water. Hun water heeft wel een natuurlijke, grijsbruine kleur gekregen, maar in een riviergezicht van Van Ruysdael liggen de golfjes nog saai en regelmatig op het wateroppervlak. Levendiger is al de golfslag in een penseelschilderij van Ludolf Backhuysen uit 1675. Hij heeft warrelend water bij elkaar gearceerd. Stilgezette beweging is het, gestolde chocola in zwart-wit.

Aan het begin van de negentiende eeuw laat de Dordtse schilder Johannes Christiaan Schotel de zon schijnen op theatraal kolkend zeewater. Een woeste golf neemt een zeilschip te grazen.

Nog dramatischer is een donker schilderij van Johan Christian Dahl uit 1847 (in Laren), waarin vijf figuurtjes in een roeiboot een schip verlaten dat voor de Noorse kust op een rots is gelopen. Dahl ging in het water behoorlijk los. Golven die uit verschillende richtingen tegen rotsen kletteren, spatten in de lucht erboven in dezelfde richtingen verder. Een laatste beetje witte verf aan het uiteinde van penseelharen is als nevel boven het schuim gestempeld. Bij Schelfhout, in 1858, is de Noordzee kalmer. Het licht is vrolijk met de golven aan het spelen, of andersom, en de eerste meters zee zijn een gladde, natte spiegel.

Jan Toorop durfde in 1887 nog veel meer aan zijn publiek over te laten dan Dahl met zijn opspattende witte verf veertig jaar eerder. Zijn Zee te Katwijk (weer in de Kunsthal) is groen, geel, blauw, paars en zelfs rood, maar van een afstandje toch zeekleurig. Je ziet tegelijkertijd dikke dotten witte verf en schuimkoppen in de zon. Uit Toorops zeegezicht blijkt het duidelijkst wat Harold Schouten bedoelde toen hij zei dat water op verf lijkt.

Later in de twintigste eeuw schilderde Gerrit Benner het water primitiever dan het in eeuwen geschilderd was, maar nu opzettelijk. Het blauw dat hij koos voor een sloot in een geabstraheerde polder is nog onnatuurlijker dan het blauw in de zeeën van Hendrick Vroom rond 1600. En het lijkt erop dat Benner, toen dat blauw eenmaal gekozen was, het water geen schildersblik meer waardig keurde.

Maar hij schilderde tenminste nog landschappen, in de jaren 70, toen veel andere kunstenaars heel wat conceptueler bezig waren. De beeldende kunst werd minder beeldend. In een hoek van de laatste ruimte in de Kunsthal hangt een onverwacht helder beeld uit die meer conceptuele richting. Paul van Dijk combineerde in 1982 een foto van het golfjesspoor dat de terugtrekkende zee in het zand naliet met een grote getekende vingerafdruk. Twee verwante patronen, twee tekeningen van de natuur: één in de menselijke huid en één op de drooggevallen zeebodem.

Zonder water weer te geven verbeeldt Van Dijk in de collage wat alle andere foto’s, video’s en schilderijen in Rotterdam en Laren letterlijker illustreren. Wij bestaan voor 65 procent uit water, wij wonen onder de zeespiegel in een land dat gedeeltelijk op het water is veroverd. De zee, dat zijn wij.