Survivallen aan de bètafaculteit

Vrouwen en bètavakken gaan slecht samen. Daarover zijn stapels zorgelijke rapporten geschreven.

Veel vrouwen beginnen niet eens aan een bètastudie, (onbewust) doordrongen van het vooroordeel dat ze toch zullen falen. En van de vrouwen die zo’n studie wel voltooien, verdwijnen er bij elke carrièrestap een stel uit de universiteit: als uit een lekkende pijplijn. De rapporten wijzen er allerlei oorzaken voor aan: de combinatie werk-kinderen, discriminerende sollicitatiecommissies, de sfeer op het werk, enzovoorts.

De kop Survival Analysis in Science and Engineering by Gender, deze week in Science, belooft dus weinig goeds. Maar kijk: het survivallen gaat vrouwen aan de bètafaculteiten van 14 Amerikaanse universiteiten heel goed af. Zegt deze analyse van de arbeidsgegevens van bijna 3.000 mensen tussen 1990 en 2006. Want zijn ze eenmaal een pre-tenure- of tenuretrack ingegaan – een carrière-traject dat binnen tien jaar tot een hoogleraarsaanstelling moet leiden, of dat voorbereidt op dat traject (de pre-tenure) –, dan overleven mannen en vrouwen de universiteit even vaak.

Dat is trouwens niet heel erg vaak. Na 10,9 jaar is de helft van deze mensen toch vertrokken. Zonde van alle investeringen, schrijven de onderzoekers. Maar: mannen en vrouwen sneuvelen in elk geval gelijk op. Als de trend doorzet dat steeds meer vrouwen een bètavak kiezen, dan werken er over een eeuw in de VS dus evenveel vrouwen als mannen in de bètavakken. Van promovendi tot hoogleraren.

Nou ja, met één uitzondering: de wiskunde. Daar is al na 4,5 jaar de helft van de vrouwen weer weg, en trouwens na 7,3 jaar óók de helft van de mannen.

En Nederland? Hier zijn tenure tracks niet breed ingevoerd, lekt de pijplijn harder en schuwen vrouwen de bètavakken meer dan in de VS. Een eeuw om genderverschillen weg te werken is hier ongetwijfeld te kort – voor welk bètavak dan ook.

Margriet van der Heijden