Slimme woordvoerders 'horen uit' en hebben 'goede ideetjes'

Je zou zeggen: een woordvoerder voert het woord. Maar dat is in het moderne Den Haag een opvatting uit de vorige eeuw. Er werken nog altijd genoeg voorlichters die hun klassieke taak met bewonderenswaardige precisie vervullen. Maar veel beroepsgenoten hebben hun taken spectaculair uitgebreid – vooral omdat politici dat van ze verwachten.

De meest intrigerende variant van moderne woordvoering is uithoren. Dat werkt zo. Een journalist, laat ik mezelf nemen, voert een achtergrondgesprek met een woordvoerder. Het gaat over onderwerp X en ik beloof dat ik niet in de krant laat blijken dat ik de betrokken woordvoerder heb gesproken. In het gesprek informeer ik naar onderwerp X, de woordvoerder geeft mooie details, ik zie het verhaal al voor me, er ontstaat een vertrouwensband.

En voor ik het weet draait de woordvoerder de rollen om. Hij begint bij mij te vissen wat ik allemaal weet, welke onderwerpen ik nog in de pen heb, wat op mijn redactie zoal aan plannen leeft, et cetera.

De praktijk van uithoren staat voor iets groters, zegt Frits Bloemendaal (55), een geroutineerde verslaggever en sinds vorig jaar chef van de Haagse redactie van de GPD, een samenwerking van regionale kranten. Het interessante is dat hij tweemaal eerder in Den Haag werkte, voor het Agrarisch Dagblad (1990-1996) en HP/De Tijd (1996-2002). En dat hij een gedegen boek schreef over moderne woordvoering, De Communicatieoorlog (2008), waaruit blijkt hoe uithoren soms tot kolossale ongelukken leidt. Hij was chef redactie van de GPD toen enkele jaren geleden bleek dat woordvoerders van het ministerie van Sociale Zaken, nota bene ex-redacteuren van de GPD, systematisch inbraken in het redactionele systeem van de GPD. „Zij hadden het uithoren zover opgerekt dat ze niet doorhadden hoe ver ze over de schreef gingen.”

Technieken als uithoren illustreren volgens hem niet dat woordvoerders intrinsiek onbetrouwbaar zijn, zoals verslaggevers graag vanachter hun bier poneren. Het laat vooral zien hoe chronisch onzeker de hedendaagse politicus is, zegt hij. „Bewindslieden voelen zich zo onveilig dat ze permanent de potentiële gevaren willen kennen. Daar komt dit vandaan.”

Nu zijn er in Den Haag woordvoerders met zoveel ervaring of kwaliteit dat ze hun bazen dat gevoel van veiligheid vanzelf kunnen bieden. Namen die ik het vaakst turfde: Roy Kramer (fractievoorlichter D66), Anne-Marie Stordiau en Wilfred Kortman (Veiligheid en Justitie) en Chris Breedveld (Algemene Zaken/Koninklijk Huis). Het bijzondere is dat geen van hen een interview wilde geven: op de achtergrond blijven hoort bij hun beroepsopvatting. Ook de als „uiterst effectief” geprezen Kramer van D66, partij van de openheid, blijkt niets voor openheid te voelen.

Toch is het niet ingewikkeld te achterhalen hoe deze mensen opereren. Stordiau en Kortman werken sinds de jaren negentig op Justitie en hebben daar zoveel crises meegemaakt dat ze potentiële problemen van verre zien aankomen. Zo was het geen toeval dat hun nieuwe minister, Ivo Opstelten, aan het begin van deze kabinetsperiode zijn nieuwe beleid bijna meteen naar de Kamer stuurde – omdat in die periode de coalitie altijd welwillend is. In de ministerraad bedachten ze er zelfs een term voor: een Ivootje.

En de kunst van het uithoren verstaan ze zo goed dat ze in 2006, voor de val van Balkenende III, Kamerleden influisterden dat ze het verkeerde debat voerden. De Kamer dacht te debatteren over het feit dat Verdonk de Nederlandse nationaliteit van Ayaan Hirsi Ali ter discussie had gesteld. Tijdens een schorsing, ’s ochtends om zes uur aan de bar van Nieuwspoort, wist Femke Halsema (GroenLinks) zeker dat Verdonk het debat niet zou overleven. Stordiau en Kortman hadden nieuws voor haar. Verdonk had zich verzekerd van de steun van haar partij: niet Verdonk maar het hele kabinet stond op instorten. Halsema reageerde ongelovig, ze verwedden een fles wijn. Halsema herinnert het zich vaag: „Het zou kunnen dat ze gelijk hebben.”

Breedveld, die later dit jaar het kabinet van de koningin gaat leiden, wordt geroemd om het gemak waarmee hij het gesloten Koninklijk Huis overtuigde van de moderne mediawerkelijkheid. Hij geldt als „een ongelofelijk handige donder”, zoals een vooraanstaande Haagse journalist zegt: „Hij weet altijd wat je volgende stap is.” En Kramer van D66 is zo’n jongen die „alles doorheeft”, zodat je altijd even naar „zijn ideetjes” luistert. Het verklaart mede hoe het recente boek van zijn partijleider Pechtold – vraaggesprekken met gewone mensen gebracht als ‘geheime interviews met PVV-stemmers’ – zoveel aandacht in de media kreeg.

Nu wordt de betekenis van woordvoerders ook overschat. Wie rondwandelt in Den Haag, komt er al gauw achter dat een minister als Henk Kamp (Sociale Zaken) zo geroutineerd en recht-door-zee is dat hij het prima zonder woordvoerder af zou kunnen. De communicatieve vaardigheden van premier Rutte zijn eveneens zo dat hij het zonder woordvoerder ook makkelijk redt.

In ons gesprekje merkte ik dat Bloemendaal de titel van zijn boek niet letterlijk neemt. Oorlog tussen woordvoerders en verslaggevers is het zeker niet in Den Haag. „Nee, dat klopt”, zegt hij. Nog sterker, hij beaamde ogenblikkelijk wat enkele woordvoerders die al decennia in Den Haag rondlopen me toevertrouwden: zij hebben het in geen jaren zo gemakkelijk gehad. Hun doel is meestal dat hun nieuws de NOS haalt, omdat die met radio, tv, teletekst en internet de nieuwscyclus de hele dag beïnvloedt. En communiceren via beelden en korte berichten is minder gelaagd dan via een kwaliteitskrant.

Journalisten veranderen. Zij stellen hun vragen nu per mail. De persbureaus Novum en ANP beconcurreren elkaar op leven en dood, zodat de invalshoek van departementale persberichten in de jacht op de primeur bijna altijd de invalshoek van de persbureaus wordt – en dus van Teletekst, Google Nieuws, nrc.nl, etc. En journalisten schamen zich er niet meer voor om woordvoerders ronduit om primeurs te vragen: „Heb je nog wat?”

Den Haag heeft een tijd gekend, inderdaad in de vorige eeuw, dat journalisten zich consequent als waakhond van de democratie presenteerden. Ze waren er aan de bar zo vol van dat het waken er wel eens bij inschoot. Nu spreekt niemand nog in die termen, en laten woordvoerders met zoveel woorden weten dat ze zo’n waakhond wel kunnen gebruiken.