Indische invloed

In mijn werkkamer hangen twee portretten van oud-voorzitters van de Akademie, typische geleerden uit het begin van de vorige eeuw: eerbiedwaardig, grijs, met baard en bril. De eerste is een echte bèta. De natuurkundige Hendrik Lorentz kijkt aimabel, maar ferm de wereld in. Hij was niet alleen architect van de moderne theorie van straling en materie, maar ook verantwoordelijk voor de bouw van de Afsluitdijk. De tweede is een echte alfa. Hij hangt voorovergebogen boven een dik boek, zijn neus bijna in de pagina’s – een karikatuur van de verstrooide geleerde, de boekenwurm die zich nauwelijks bewust is van de rest de wereld.

Maar niets is minder waar. De sanskritist Hendrik Kern (1833-1917) was minstens zo geniaal én relevant als Lorentz. Hij sprak zo’n beetje iedere denkbare taal, levend of dood, en was een wereldexpert op het gebied van Oosterse talen, van Perzisch via oud-Javaans tot Polynesisch. Kern werd geboren in het voormalige Nederlands-Indië en heeft veel betekend voor zijn geboorteland. In Indonesië wordt hij vereerd als een vader des vaderlands, omdat hij liet zien dat het gefragmenteerde eilandenrijk taalkundig een natuurlijke eenheid vormt.

Vreemd genoeg zit Indonesië een beetje in onze blinde vlek, ook binnen de wetenschap –een Freudiaanse verdringing van ons koloniaal verleden? Laat ik nog twee voorbeelden geven van Indische invloeden. Eugène Dubois (1858-1940) was een veelbelovende, maar eigenwijze jonge arts die, geïnspireerd door Darwin, ervan overtuigd was dat hij de missing link tussen aap en mens in Zuidoost-Azië kon vinden. In 1887 nam hij als geneeskundig officier dienst in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger en vertrok met zijn vrouw en pasgeboren dochtertje naar de Oost. Dubois was niet alleen volhardend, hij had ook veel geluk met zijn opgravingen. Vrij snel ontdekte hij een schedel, een kies en een dijbeen van de ‘Javamens’, het eerste exemplaar van wat nu Homo erectus heet. Spelenderwijs vond hij ook een compleet nieuw vakgebied uit: de paleoantropologie.

Christiaan Eijkman (1858-1930) was net als Dubois werkzaam als KNIL-arts. In 1888 werd hij de eerste directeur van het Centraal Geneeskundig Laboratorium in Batavia. Samen met zijn assistent Gerrit Grijns deed hij experimenten om de verwekker van de tropische ziekte beriberi te achterhalen. Iedereen dacht aan een bacterie, maar experimenten met kippen brachten hen op een ander idee. Toen de kippen een keer gepelde witte rijst hadden kregen, vertoonden ze beriberi-achtige verschijnselen. Zilvervliesrijst deed die weer verdwijnen. Zo kwamen zij op het spoor van vitaminegebrek. Eijkman ontving voor deze ontdekking van vitamine B1 de Nobelprijs. Grijns werd gepasseerd – een groot onrecht, want juist híj had de cruciale stap gemaakt dat een voedingsstof ontbrak.

Het Eijkman-Instituut in Jakarta is nu een van de meest vooraanstaande wetenschappelijke instellingen in Indonesië. Het is trots op zijn lange geschiedenis en de prestaties van zijn eerste directeur. Het koloniale gebouw is prachtig hersteld en bevat de nieuwste onderzoeksapparatuur. Zeker in een land en stad waar de bevolking zo geëxplodeerd is, is de rust in de lange koele gangen een verademing. Je voelt je terug in een verloren tijd.

Bij een recent bezoek was dat werkelijk zo. We kregen een prachtige film te zien van Batavia uit de jaren twintig. De camera rijdt door de stad en filmt in een elegante zwierende beweging het straatbeeld. Alles straalt een serene rust uit, zeker als de filmer het bijna verlaten gebied van de medische school en het instituut bereikt. Wat een enorm contrast, toen we na de film de straat op liepen en de chaos van het moderne Jakarta met zijn eindeloze stromen brommertjes ons tegemoet toeterde. Indrukwekkend hoe snel het land in korte tijd veranderd is, en onvoorstelbaar hoe het nog verder zal veranderen.

Indonesië is het grootste land in de ASEAN, de Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties. Dit deel van de wereld telt meer dan een half miljard inwoners en kent met Singapore, Maleisië, Vietnam en Thailand een aantal snelgroeiende technologische tijgers. Indonesië behoort nu niet tot de koplopers, maar er is geen twijfel dat het ook spectaculair zal groeien. Is er nog een rol voor Nederland? Hebben wij een idee wat wij kunnen betekenen voor een land dat ons eeuwenlang zo veel gegeven heeft, ook in de wetenschap?

Er is iemand die geen twijfel heeft over het belang van Indonesië. Hij woonde er van zijn zesde tot zijn tiende jaar, wil graag de banden versterken, heeft een speciale wetenschappelijke afgezant gestuurd en gaat ook veel geld investeren. President Obama roemde tijdens zijn bezoek in 2010 de Indonesische diversiteit en tolerantie. Het is duidelijk dat een nauwe band met een groot en gematigd moslimland goed past in het Amerikaanse buitenlands beleid. (Het is trouwens een interessante gedachte dat, met enige fantasie, Nederland eeuwenlang het land met de grootste moslimbevolking ter wereld is geweest.) Obama begrijpt heel goed wat Indonesië kan bieden. Naar inwonertal zijn de Verenigde Staten en Indonesië het derde en vierde grootste land ter wereld. De grootste natuurlijke rijkdom van dit gigantische eilandenrijk anno 2012 is specerijen noch goedkope arbeid, maar een eindeloze bron van jong talent. De Indische invloed zal verder reiken dan babi pangang.