Hallo, daar is-ie weer: de nullijn! Maar werkt hij eigenlijk nog wel?

Terwijl Bernard Wientjes pleit voor de nullijn, betogen economen juist dat een loonstijging de remedie is voor de crisis. Wie heeft gelijk?

Daar is ’ie weer, de nullijn. Zodra de economie in recessie raakt, klinkt het beproefde recept: loonmatiging. Dat was tijdens de recessies in 2003 en 2009 zo, en nu hoor je het ook weer: als de lonen van Nederlandse werknemers een paar jaar niet of nauwelijks stijgen, dan kunnen we ons op de wereldmarkt uit de recessie concurreren.

Dat werkt zo. Lagere loonkosten maken de fabricage van exportproducten goedkoper. Dat vergroot óf de afzet van die producten óf de winstgevendheid van exportbedrijven. Beide zorgen voor een groei van de werkgelegenheid, en dus voor meer welvaart voor iedereen. Dat het werkt, blijkt uit het feit dat Duitsland het Nederlandse beleid zo’n tien jaar geleden overnam, toen het land nog de zieke man van Europa werd genoemd. Nu is Duitsland de meest florerende economie van Europa. Motor is de export van kapitaalgoederen naar Azië. De benzine voor die motor is – u raadt het al – loonmatiging.

Dit keer stelt Bernard Wientjes de nullijn voor. Hij is voorzitter van de lobbyclub van werkgevers, VNO-NCW. Ook in de Tweede Kamer fluisteren parlementariërs over de nullijn als oplossing voor de recessie.

Gek genoeg houden veel economen juist nu hartstochtelijke pleidooien tégen loonmatiging. Dat doen ook economische adviseurs van regeringen als het IMF en de OESO. Loonmatiging is ‘uit’, althans voor de landen die er hun succes aan danken, Nederland en Duitsland.

Zelfs de economen van het Centraal Planbureau (CPB), die jarenlang loonmatiging voorschreven als recept tegen recessies, zien dat sinds kort anders. Nog in 2009 zei CPB-directeur Coen Teulings dat het een goed idee was de lonen te matigen. Het CPB pleit nu niet alleen tegen loonmatiging maar zelfs voor loonstijgingen.

De reden voor deze ommezwaai is de eurocrisis. Juist omdat loonmatiging de drijvende kracht is achter het exportsucces van Duitsland en Nederland, moeten deze landen dat beleid loslaten. Het is de enige manier waarop Zuid-Europese landen weer concurrerend kunnen worden, redeneert het CPB. De relatief hoge lonen in Spanje, Griekenland, Portugal en Italië zorgen ervoor dat die landen weinig exporteren en nauwelijks groeien. Deze landen moeten de lonen van hun werknemers dus wel matigen.

Wil Europa uit de schuldencrisis komen, dan moeten de economieën van Noord- en Zuid-Europa naar elkaar toegroeien. Noord-Europa moet wat minder exporteren en Zuid-Europa meer. Dat lukt nooit als Duitsland en Nederland opnieuw de lonen matigen. Dan moeten de lonen in Zuid-Europa wel erg hard dalen om nog aan concurrentiekracht te winnen ten opzichte van Noord-Europa.

Loonmatiging is volgens het CPB dus nog steeds een Hollands wonderrecept, dat de oplossing kan bieden voor de kwakkelende economieën van Zuid-Europa. Alleen moeten Nederland en Duitsland even geen wonderpillen meer slikken. Het is alsof je tegen een vrouw die net haar figuur weer terug heeft, zegt dat ze moet stoppen met Sonja Bakkeren. Want als zij wat dikker wordt, lijken de andere vrouwen ineens een stuk dunner. Elke zichzelf respecterende Sonja Bakkeraar zal uitroepen: ben je helemaal betoeterd? Moet ik twee maten opschuiven omdat andere vrouwen graag Bossche bollen eten? Ja, doei!

Dezelfde verontwaardiging klinkt bij een kleine groep sceptische economen, onder wie die van De Nederlandsche Bank (DNB).

Zuid-Europese landen concurreren niet louter met Noord-Europese landen, ze concurreren op een wereldmarkt. Het gevaar is dat een minder concurrerend Duitsland leidt tot een minder concurrerend Europa. Het CPB is daar niet bang voor, DNB wel.

Voorlopig is zowel een nullijn als een loongolf onrealistisch. Geen van de economen pleit voor een loonmaatregel, een door het kabinet per decreet opgelegde nullijn voor alle werknemers. De loonmatigingseconomen hopen dat sociale partners een nullijn afspreken, maar die kans lijkt klein. Een loongolf is evenmin waarschijnlijk. De economie kwakkelt, de werkloosheid loopt op en dus zullen de lonen niet hard stijgen.

In Duitsland ligt dat wellicht anders. Daar daalt de werkloosheid en pleit zelfs een minister voor het laten stijgen van de lonen. Zo kan Nederland zonder ingrepen van het kabinet of nationale akkoorden tussen sociale partners wellicht tóch zijn concurrentiekracht verbeteren.

Met dank aan de buren.

    • Marike Stellinga