Gerrit Achterberg was zo intens traurig

Vladimir Poetin (Foto AP)

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Deze week machthebbers, thuisblijvers, reizigers, schilders en dichters.

Met de Russische presidentsverkiezingen in het vooruitzicht beschrijft NOS-correspondent Kysia Hekster haar ervaringen met de autoritaire machtsuitoefening van de vrijwel zekere winnaar in De Poetin Show (L.J. Veen, 192 blz. € 17,95). Het beeld dat de staatsmedia de Russen van hun eigen land voorschotelen, staat in contrast met de verhalen die Hekster optekende over corruptie, bureaucratie, verkiezingsfraude en oneerlijke rechtspraak. Daarvan geeft dit boek een levendige beschrijving. Aan een analyse waagt Hekster zich sporadisch. Poetin bracht stabiliteit, voor sommige groepen Russen enige welvaart en voor een kleine groep grote welvaart. De nieuwe middenklasse begint nu te morren, maar voor veel Russen is de politiek als het weer, iets waar je toch niets aan kunt veranderen. „Het aloude mechanisme dat de tsaar geen blaam treft en dat het de bojaren zijn die het volk dwarszitten, zal hem vermoedelijk nog wel een tijdje in het zadel houden”, voorspelt Hekster, die ook ingaat op de groeiende invloed van de Russisch-orthodoxe kerk als steunpilaar van de staat.

Al die kerkelijke en religieuze rituelen dienen dan ook uitsluitend om het vertrouwen te winnen van de mensen, zei Spinoza 350 jaar geleden al. Althans, de Amerikaanse psychiater Irvin D. Yalom laat het de filosoof zeggen in de roman Het raadsel Spinoza (Balans, vert. Miebeth van Horn, 432 blz. €19,95). Yalom, die al eerder ‘educatieve’ romans schreef over Nietzsche en Schopenhauer, wil de dromen, hartstochten en verlangens van Spinoza, over wiens innerlijk leven niets bekend is, doorgronden. In het boek probeert nazi Alfred Rosenberg, de belangrijkste ideoloog van het antisemitisme, het ‘probleem Spinoza’ (hoe kan een jood een genie zijn?) op te lossen. De door de nazi’s uit het Spinoza-museum in Rijnsburg gestolen bibliotheek is de sleutel in het verhaal. Yalom kan vertellen als een betrokken schoolmeester, maar geen geloofwaardige dialogen schrijven. Spinoza als romanpersonage lijkt me te hoog gegrepen.

Toont Spinoza, evenals Kant, aan dat je rustig thuis kunt blijven als filosoof, dan laat Paul Theroux, ’s werelds populairste schrijver van reisverhalen, zien dat juist reizen vaak tot filosoferen aanzet. In De tao van het reizen (Atlas, vert. Henk Schreuder, 368 blz, € 24,95) trekt hij de lessen uit vijftig jaar reizen. In de geest van Boeddha’s uitspraak: ‘Je kunt het pad niet gaan zolang je niet zelf het pad bent’, verzamelt hij uit eigen en andermans werk wijsheden, bijvoorbeeld: wat te doen op gevaarlijke plaatsen en bij onverwachte voorvallen. Bij de Engelse uitgave merkte Toef Jaeger (Boeken, 19 augustus 2011) op: „Theroux legt uit hoe je een goede reiziger kunt worden. Het komt erop neer dat je zoveel mogelijk als Paul Theroux moet zijn.”

Het duurt even voor je door hebt dat het rijk geïllustreerde Penseelprinsessen & broodschilderessen. Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913 (Thoth, 238 blz. € 29,50) geen tentoonstellingscatalogus is, maar de dissertatie van kunsthistorica Hanna Klarenbeek. Honderd jaar geleden werd al gediscussieerd over de (on)wenselijkheid van aparte aandacht voor vrouwelijke kunstenaars. Thérèse Schwartze moest niets hebben van ‘geëmancipeerde types’ die zich daarvoor inzetten. Niettemin heeft zij als enige kunstenares uit de beschreven periode op alle vrouwententoonstellingen geëxposeerd, in tegenstelling tot haar vriendin Wally Moes. Die vond vrouwententoonstellingen beschamend, „want dan komt zo recht voor de dag hoe weinigen het nog gelukt is iets te bereiken”. Vandaag opent de tentoonstelling ‘Penseelprinsessen’ in Paleis Het Loo, waar Schwartzes feeërieke schilderij ‘Inhuldigingsportret koningin Wilhelmina’ te zien is.

„Hij maakte op mij een sympathieke indruk. Hij was geen typische moordenaar. De nazi’s, dat waren voor mij moordenaars”, zegt psychoanalyticus Hans Keilson in Gestalten tegenover Achterberg (Gebr. De Wal, 64 blz. € 20). Neerlandicus Edwin Lucas bundelt hierin de magnifieke interviews die hij tussen 2002 en 2010 maakte met onder anderen Simon Vinkenoog, Harry Mulisch en H.U. d’Oliveira over hun ontmoetingen met de dichter. Keilson had meermalen contact met hem toen hij in 1943 ondergedoken was in Rekken, vlakbij de tbs-kliniek waar Achterberg zat wegens de moord op zijn hospita in 1937. „Zijn leven was kapot. Dat was mijn overstelpende eerste indruk. Hij was zo intens traurig”, aldus Keilson, die nog maar eens herhaalt dat hij, anders dan Wim Hazeu in zijn Achterberg-biografie schreef, de dichter van Afvaart nooit in therapie heeft gehad.