Een goed huwelijk bestaat uit sleur Een huwelijk met 'geluk' en 'vervulling' wordt al snel een te zware opdracht

Tweederde van de huwelijken houdt stand. Maar een hartstochtelijk geloof in huwelijksillusies helpt daar niet bij, zegt Ger Groot. Een stabiele relatie floreert juist bij onopvallendheid en routine.

Morgen zeg ik ja... Marielle en Oscar Trouwringen foto Luciana Caputo

Een op de drie Nederlandse huwelijken eindigt in een echtscheiding. Dat is al enkele tientallen jaren zo. Soms gaat het getal wat omhoog, dan weer wat omlaag, maar aan de stabiliteit van dit cijfer doet dat, sinds het begin van de jaren tachtig, weinig af.

Als je afgaat op de reputatie die het huwelijk inmiddels geniet, zou je dat niet zeggen. Het traditionele model van een levenslange monogame verbintenis lijkt op sterven na dood. Verbazing wekt het soms dat het huwelijk überhaupt nog bestaat. Wie niet minstens éénmaal in zijn leven gescheiden is, heeft zichzelf ongetwijfeld tekort gedaan.

Dat staat in schril contrast met het succes van het westerse huwelijk in de wereldgeschiedenis. In een recente studie in de Philosophical Transactions of the Royal Society beschreven antropologen en ecologen onlangs de onstuitbare opmars ervan, eerst in Europa, vervolgens in de rest van de wereld. Niet als symptoom van cultureel imperialisme, maar omdat het monogame huwelijk veel beter uitpakte voor de samenleving dan het polygame. Criminaliteit nam af naarmate er minder jonge mannelijke singles overbleven, het leeftijdsverschil tussen echtelieden werd kleiner, net als het geboorteoverschot. Meer energie werd geïnvesteerd in de toekomst en in de kinderen. Dirk Vlasblom vatte de conclusies in deze krant samen onder de veelzeggende titel ‘Waarom de wereld steeds monogamer wordt’ (NRC, 26 januari).

Wie zo’n evolutionaire blik te weids vindt, hoeft maar om zich heen te kijken om te zien welk een miraculeuze wederopstanding het huwelijk de afgelopen twintig jaar heeft meegemaakt. In de wilde jaren zeventig leek het instituut inderdaad ten dode opgeschreven. Als er al getrouwd werd, dan gebeurde dat in de trendsettende milieus bijna clandestien. Latrelaties en allerlei vormen van ongehuwd samenwonen vormden een zichtbaar protest tegen de sleetsheid, hypocrisie en beklemming die het gezinsleven werden toegeschreven. De relatie van Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir was ieders voorbeeld.

Twintig, dertig jaar later traden de paren die uit die tijd nog over waren vaak alsnog in het huwelijk, of sloten een contract dat daaraan min of meer evenwaardig was. En dat gebeurde in grote staat. Weg met de snelle en zakelijke afhandeling aan het loket. Een huwelijkssluiting werd weer echt een trouwerij, met een groot feest, dikke huurauto, huwelijksreis en de trouwjurk zowaar weer in het wit.

Ook het woord ‘geluk’ mag inmiddels weer vallen. ‘Ik ga trouwen, ik leef op een roze wolk’, kopte deze krant luttele dagen vóór het artikel van Vlasblom. Het waren woorden van Laura Antkowiak, die in een aangrijpende aflevering van de rubriek Het laatste woord vertelde stervende te zijn, maar tegelijk ‘het gelukkigste meisje van de wereld’. Zij stond op het punt in het huwelijk te treden met de vriend die ‘onvoorwaardelijk voor haar gekozen’ had.

Cynici kunnen zeggen dat die keuze in dit geval van tragisch korte duur zal zijn. En pas op de langere termijn wordt de relatie écht op de proef gesteld. Misschien hebben zij daar gelijk in. Maar dat neemt de betekenis van Laura’s trouwdag niet weg, noch die van haar verzuchting, die kennelijk door menig bruid (en bruidegom) gedeeld wordt. Het huwelijk is opnieuw een gewild artikel, zozeer dat groepen die daarvan tot nu toe uitgesloten waren ook hún rechten daarop koste wat kost erkend wilden zien.

Zijn dat allemaal illusies? Op dezelfde dag als het interview met Laura Antkowiak verscheen in de Volkskrant een interview met filosofe en schrijfster Joke Hermsen, die onomwonden verklaarde: „Het huwelijk is een valse belofte.” Liefde duurt niet eeuwig, aldus Hermsen, en daarom mag je elkaar zo’n irreëel perspectief niet aandoen. Geen wonder dat zoveel relaties vroegtijdig afbreken. „Meer dan de helft”, zo schatte zij, ruim boven het statistische echtscheidingscijfer.

Wellicht sloot Hermsen daarbij álle min of meer stabiele relaties in, al dan niet geregistreerd. Die mogen inderdaad best meetellen. Wat in de huis- en slaapkamers gebeurt, is voor de werkelijkheid van groter belang dan de wijze waarop dat officieel is vastgelegd – of zelfs dat niet. Een stuk moeilijker te becijferen is dat dan wel en het maakt de vergelijking met ‘vroeger’ lastiger. Ook toen sneuvelde al menige verloving, soms na een solide periode van vele jaren, zonder ooit de scheidingsstatistieken te halen. Om vaste grond onder de voeten te houden, kijken we dus maar liever naar die laatste.

Dan valt op dat daaraan vaak nogal eenzijdige conclusies worden verbonden. Of je het cijfer van mislukking bij één op de drie huwelijken nu met ontsteltenis of opluchting begroet, minstens zo belangrijk is dat twee op de drie huwelijken kennelijk een leven lang stand houdt. En juist dát mag intussen een wonder heten. Niet alleen vanwege de sfeer van malaise die rond het huwelijk is komen te hangen, maar vooral omdat daaraan steeds hogere en inmiddels bijna onmogelijke eisen worden gesteld.

Is dat allemaal toe te schrijven aan dwang, sleur of angst voor de consequenties die een eventuele scheiding tot gevolg kan hebben? In een aantal, misschien zelfs een flink aantal gevallen zal dat zo zijn. Maar wie om zich heen kijkt, zal stuiten op een verrassend hoog aantal huwelijken die het uithouden in redelijke tot goede en zelfs heel goede verstandhouding. De betrokkenen weten zich aan elkaar gehecht in een solide genegenheid die het gevangenissyndroom op behoorlijke afstand weet te houden.

In deze beschrijving ontbreekt één ding, en dat is de liefde. Niet omdat die geen rol zou spelen of onbelangrijk zou zijn, maar omdat ze zo ongrijpbaar is. Wat verliefdheid is weet iedereen, wat erotisch verlangen is ook. Het eerste verdwijnt meestal al na een paar jaar, het tweede na een decennium, of in het beste geval twee. Blijft dan ‘de liefde’ over? Misschien – maar dat is wel een gevaarlijk woord. Het gaat gemakkelijk samen met hoogdravende termen als vervulling en geluk. Het interview met Joke Hermsen is daar een schoolvoorbeeld van. En dán wordt het huwelijk al snel een te zware opdracht.

Zo kort na Valentijnsdag mag dat vreemd klinken, maar de kunstmatigheid van die uit Amerika overgewaaide invented tradition mag ons wantrouwend maken. Opvallend veel mensen die deze week op de radio werden geïnterviewd, lieten weten zich van die nieuwe mode niets aan te trekken. Voor hen was elke dag een knuffeldag; huwelijksgeluk bloeit vooral in alledaagsheid.

Misschien is dat wat té prozaïsch. Een romantisch diner mag die relatie op zijn tijd best eens luister bijzetten. Maar een recept voor een goed huwelijk is evenmin als fazant met zuurkool de basis van een gezond en duurzaam dieet. Doorslaggevend is wat er van dag tot dag op tafel komt. En in een duurzame relatie is dat vooral gewoonte en sleur. Precies die dingen die meestal worden aangewezen als de grootste bedreiging ervan.

Het huwelijk is immers allang niet meer de economische basiseenheid met de productie van kinderen als voornaamste oogmerk. Het moet ruimte bieden aan de ontplooiing van de beste vermogens van de echtelieden. Het moet hen troosten en koesteren, geluk en vervulling beloven – en dan ook nog eeuwige trouw. En dat allemaal zonder duidelijke steun, laat staan dwang, van buitenaf. Het huwelijk moet helemaal op zijn eentje de beste aller werelden vormen.

Dat dat niet lukt, is niet zo verwonderlijk, en wie hartstochtelijk in die illusies heeft geloofd, zit dan met een probleem. Dan moet er aan de relatie ‘gewerkt’ worden, of zelfs ‘geschuurd en geplamuurd’, zoals een deze week verschenen boek het noemt. Inclusief de functioneringsgesprekken om de drie of vijf jaar waarover ook Joke Hermsen spreekt en waarin het hele achterstallige huwelijksonderhoud wordt doorgenomen. Dan wordt de relatie een product, met een periodiek toegekend kwaliteitslabel.

Natuurlijk zijn sommige huwelijksproblemen reëel, en soms is een echtscheiding de enige zinnige uitweg. Maar daarnaast lijken heel wat moeilijkheden te worden veroorzaakt door de irreële verwachting van liefde en geluk die door Valentijn nog eens extra wordt gevoed. Dat leidt tot een wonderlijke vicieuze cirkel, die ook bij Hermsen zichtbaar wordt. Huwelijken en soortgelijke relaties moeten aan zulke hoge eisen voldoen dat ze prompt tekortschieten en daarmee hun hele bestaansrecht in één keer lijken te hebben verspeeld. De rozige illusie van het getrouwde leven maakt dan plaats voor de even rozige illusie van de scheiding („Ik ben gelukkig zonder jou”, zong Connie van den Bos ooit veelbelovend) – vaak met een even grote teleurstelling als gevolg.

Want het huwelijk mag dan een schoolvoorbeeld van onvolmaaktheid zijn, beter zijn de alternatieven gewoonlijk allerminst. Niet alleen omdat gehuwden gemiddeld langer leven en hoger scoren op de nationale geluksschaal. Maar ook omdat een single zijn vrijheid koopt tegen de prijs iedere aanspraak die hij zoekt steeds weer opnieuw zelf te moeten organiseren. Niet alleen op feestdagen wordt het alleen-zijn al snel beklemmender dan het ‘jaren-vijftig huwelijk’ ooit geweest was. De remedies die daarvoor vanaf de jaren zeventig zijn bedacht (van communes tot vriendennetwerken) zijn stuk voor stuk erger gebleken dan de kwaal. Pas lang na hun dood bleek dat Simone en Jean-Paul het indertijd met elkaar ook niet zo gezellig hadden gehad.

Het wordt dus hoog tijd voor een ontnuchtering jegens het huwelijk, niet om dat vervolgens af te serveren maar om de wonderbaarlijke hardnekkigheid en aantrekkingskracht ervan beter te begrijpen. Daarvoor schuwen we het best alle grote woorden: liefde, geluk of levensvervulling. Als zij voor heel wat gehuwden het leven een stuk draaglijker maken, dan doen ze dat vooral op onopvallende en bijna toevallige wijze. Niet omdat ze worden nagestreefd – want hoe zou je moeten streven naar liefde en geluk? Die inspanning alleen al (‘werken aan de relatie’) lijkt het resultaat bij voorbaat uit te sluiten.

Een goed huwelijk bestaat in de rustige wetenschap ’s avonds niet alleen te zullen thuiskomen, zonder dat daarvoor van alles moet worden georganiseerd. In het gemompelde verzoek aan de ontbijttafel de suiker eens door te geven. In het besef niet voortdurend en over alles met elkaar te hoeven praten. En in het vermogen aan de ruzies die onvermijdelijk zullen voorkomen op redelijke termijn weer een einde te maken, zonder wederzijds gezichtsverlies.

Verliefdheid is voor verreweg de meeste mensen het grootste levensavontuur, en soms wordt ze op termijn gevolgd door de grootste tragedie: de scheiding. Met het huwelijk zelf hebben die twee maar weinig gemeen. Dat floreert bij onopvallendheid en een onbewust geworden routine. Zelfs het geluk daarvan wordt nauwelijks nog opgemerkt, het doet zich pas kennen wanneer het er niet meer is. Daarom is het geslaagde huwelijk geen geschikte stof voor romans, roddels of de sociale media, en verdwijnt het gemakkelijk achter het zoveel sexier huwelijksfailliet.

Maar hardnekkig is het wel. Miljoenen paren zitten ’s avonds met een kopje koffie op de bank voor de televisie, zonder aan hun relatie te schaven of dolgelukkig te zijn. Hun huwelijk sleept zich voort in een banaliteit die niets opwindends of aantrekkelijks heeft. Meer zit er simpelweg niet in en eigenlijk is dat niet zo’n drama.

Want het leven wordt er wel nét iets aangenamer door – met wie zou je anders je commentaar op het tv-programma moeten delen? Vanwege dat commentaar, of zelfs het zwijgend televisiekijken, de wetenschap dat de ánder straks de hond zal uitlaten en de eerste rochel bij het wakker worden blijven mensen een levenlang bij elkaar. We zullen dat voorzichtigheidshalve maar niet eens ‘liefde’ noemen.

Ger Groot is hoogleraar filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit en publicist.