De man die altijd ergens bij wilde horen

Anil Ramdas bevond zich als journalist, essayist en tv-maker in het hart van de discussies die Nederland voerde. „Surinaamse zelfoverschatting fileerde hij even goed als Hollandse bekrompenheid.” Niet zo lang geleden liepen alle Indiërs nog op blote voeten. „Niet zozeer uit armoede maar als uiting van respect voor Moeder Aarde. Dat is niet meer zo.

Anil Ramdas bevond zich als journalist, essayist en tv-maker in het hart van de discussies die Nederland voerde. „Surinaamse zelfoverschatting fileerde hij even goed als Hollandse bekrompenheid.”

Niet zo lang geleden liepen alle Indiërs nog op blote voeten. „Niet zozeer uit armoede maar als uiting van respect voor Moeder Aarde. Dat is niet meer zo. Maar de verhouding tot leren schoeisel blijft moeizaam.”

Het Nederland dat hij had omarmd, en dat hem had beloond, keerde zich van hem af

Zo begon Anil Ramdas, die donderdag op 54-jarige leeftijd overleed, een van zijn eerste stukken als correspondent in New Delhi voor NRC Handelsblad, in april 2000 (Altijd problemen met de schoen in India). Een vrolijk stuk, vol wetenswaardigheden over schoeisel en voetverzorging in India, de rol van Mahatma Gandhi en de maatschappelijke positie van leerlooiers. Uiteraard verluchtigd met een keur van Indiase voeten en schoenen.

Klassieke journalistiek was het niet. Niet iedereen op de krant was ook even enthousiast over Ramdas’ benadering van zijn correspondentenwerk als „onthaast toerisme”, met een antropologisch oog voor mensen en alledaagse gebeurtenissen. Maar voor anderen was zijn essayistische blik op India een verademing, een voorloper van de zelfbespiegelende aanpak van journalistiek die later door Joris Luyendijk populair is gemaakt.

Bij zijn terugkeer uit India in 2003 werd Ramdas, terugbladerend door zijn aantekeningen, getroffen door zowel de prille „ambitie als paniek” in zijn eerste notities, „beide even aandoenlijk”. Hij had „alles” willen begrijpen, maar dat was zoiets gebleken als „in je eentje de Titanic willen optillen”. Soms kun je beter door je oogharen kijken, had hij in India geleerd, net voorbij de uniforme nieuwsmachinerie, naar de details van het dagelijks leven. Vandaar die schoenen.

Voor Anil Ramdas, die donderdag een einde aan zijn leven maakte, waren zijn jaren in India het hoogtepunt van een turbulente loopbaan als journalist, schrijver en programmamaker. Die loopbaan begon eind jaren tachtig met een knetterende rel en voerde hem met columns en essays over etniciteit, multiculturalisme en populisme door alle bochten van de achtbaan waar Nederland overheen ratelde.

De laatste jaren brachten een nieuwe, onverwachte ontheemding voor de uit Suriname afkomstige Ramdas: het Nederland dat hij geestdriftig had omarmd, en dat hem had beloond, keerde zich van hem af. Halverwege de jaren negentig gold hij als een aanstormend talent, de laatste jaren werd hij verketterd als een zanger van de linkse kerk. Een mislukt directeurschap van Amsterdams debatcentrum De Balie en een groeiend drankprobleem versterkten de afbladdering.

Een avond in De Balie over Edward Said, een van zijn intellectuele helden, liep in december 2003 uit op een chaos. Het dagblad Trouw maakte er in een nieuwsbericht melding van, het katern Letter&Geest bracht een paginagroot, vernietigend stuk over hem.

Ramdas gaf er niet aan toe. Ook na de maatschappelijke omslag van Pim Fortuyn, toen veel van zijn geestverwanten zich in pas met de tijdsgeest herijkten, bleef hij een verlichte vorm van kosmopolitisme verdedigen. Zijn steun voor de schrijver Salman Rushdie, na diens terdoodveroordeling door ayatollah Khomeiny, en zijn afkeer van de nieuwe Nederlandse hang naar cultureel nationalisme, lagen volgens hem in elkaars verlengde.

Ook zijn stijl bleef hetzelfde: zijn columns waren polemisch, plagerig en provocerend, maar nooit defensief. Zoals zijn multiculturalisme niet zoetsappig werd: Surinaamse zelfoverschatting fileerde hij even goed als Hollandse bekrompenheid. Zo goed zelfs, dat zijn werk in Suriname nog steeds controversieel is.

Soms werd hij emotioneel en schril, in zijn aanvallen op de „white trash” van de PVV – een sarcastische jij-bak aan het adres van een partij die volgens Ramdas allochtonen als hemzelf vooral ziet als onbeschaafde ballast. Het leverde hem een heetgebakerde polemiek op met de schrijver Joost Zwagerman, met wie hij eerder de degens had gekruist over het ontbreken van echte zwarte personages in Zwagermans roman De buitenvrouw.

Maar op zijn best was Ramdas als hij die schrille toon meed, en zijn oog voor ambivalentie en talent voor zelfspot de vrije loop liet. In het weekblad HP/De Tijd antwoordde hij in 2003 op de vraag ‘Bent u monogaam?’: „1. Fysiek wel. 2. Mijn vrouw kan lezen.”

Over zijn drankverslaving zei hij, in een interview voor het boek De man en zijn lichaam van Stephan Sanders en Arie Boomsma: „Schrijven met drank op is als zwemmen in honing. Het schiet misschien niet echt op, maar het voelt als… naakt zwemmen. Althans, zo stel ik me dat naakt zwemmen voor.”

Typisch Ramdas: preutsheid in een boek vol mannen die gretig over hun lijf vertellen. Want ja, naakt zwemmen, zoiets doe je natuurlijk niet.

Anil Ramdas (1958) werd geboren in Nickerie, het rijstdistrict van Suriname, als kind van een hindoestaanse onderwijzer en een radiomaakster, die ook bioscopen exploiteerde. De jonge Anil deed er een levenslange voorliefde op voor Bollywood-films – net als voor soulmuziek uit de jaren zeventig, zijn middelbare schooltijd.

Als scholier in Paramaribo had Ramdas de honger van de opgroeiende intellectueel die aan een benauwend milieu wil ontsnappen – zoals zijn idool, de op Trinidad geboren schrijver V.S. Naipaul. In de Brits-Indische Naipaul herkende Ramdas het verdeelde karakter van de migrant, de hang naar burgerschap en universele beschaving, maar vooral het verlangen om zich te ontwikkelen en veel van de wereld te zien.

Ramdas vertrok in 1977 – na de onafhankelijkheid van Suriname, maar nog voor de coup van Bouterse – naar Nederland om aan de Universiteit van Amsterdam sociale geografie te studeren, waarin hij in 1986 cum laude afstudeerde. Zijn promotieonderzoek naar de vluchtverhalen van asielzoekers leidde tot een conflict met het ministerie van Justitie, dat hem verweet tegen de afspraken in vertrouwelijke gegevens te hebben gepubliceerd. Ramdas kreeg in kort geding gelijk, maar moest zijn bronnen op last van de rechter wel anonimiseren voor het komende proefschrift – waarna hij zijn onderzoek staakte.

Dat verlies was ook het begin van zijn journalistieke loopbaan. In 1989 trad Ramdas in dienst van De Groene Amsterdammer. Hij vormde er een groepje met de collega-redacteuren Stephan Sanders, Guikje Roethof en René Zwaap, en legde zich toe op essays, opiniestukken en beschouwelijke interviews. Er volgden ook boeken, De strijd van de dansers (1988) en De papegaai, de stier en de klimmende bougainville (1992), en een reeks programma’s voor de VPRO, waaronder de mediarubriek Het blauwe licht (1997-2000). Dat laatste programma, waarin hij met Stephan Sanders en gasten onbeschroomd high brow tv-fragmenten besprak, was zijn tijd als mediakritiek vooruit. Begin jaren negentig maakte hij indruk als gast in een aflevering van Zomergasten, eveneens bij de VPRO, voor welke omroep hij ook reportages uit Suriname en een reeks interviews maakte, In mijn vaders huis.

Als teken van zijn geslaagde integratie in Nederland, streek hij met zijn vrouw en hun twee kinderen neer in het landelijke Loenen aan de Vecht, een onwaarschijnlijke vindplaats voor een linkse, allochtone grachtengordelintellectueel.

Begin jaren negentig maakte Ramdas de overstap naar NRC Handelsblad, aanvankelijk als auteur van reisreportages – het genre waarmee zijn voorbeeld Naipaul beroemd was geworden – en later als columnist en correspondent in India.

Het echec van zijn directeurschap van het noodlijdende centrum De Balie was een keerpunt. Ramdas werd nu ook verguisd waar hij eens vooral was geprezen. Toen hij kort na de moord op Theo van Gogh in 2004 meldde op de Dam een klap te hebben gehad, suggereerde de Amsterdamse journalist Max Pam dat hij dit had verzonnen. Na twee jaar vertrok Ramdas bij De Balie, onder druk van de aanzwellende kritiek op zijn functioneren. Hij reisde voor een jaar naar Suriname om zich opnieuw te wagen aan sociaalgeografisch onderzoek, nu over de stedelijke ontwikkeling van Paramaribo.

Dat moeizame verblijf bracht hem opnieuw geen proefschrift, maar wel Paramaribo, de vrolijkste stad in de jungle (2009), op afstand het geestigste boek dat ooit over de stad is geschreven. Het ironische portret van het leven in een stad die eigenlijk geen stad mag heten, inclusief treffende, etnisch gevoelige passages over hindoestanen en creolen, werd hem in het snel gekrenkte Suriname niet alom in dank afgenomen.

Terug in Nederland ging Ramdas, na een zware periode waarin hij kampte met ziekte en de drank uiteindelijk afzwoer, aan de slag voor NRC Handelsblad als ‘reizend commentator’. Ook keerde hij terug op televisie met het multiculturele discussieprogramma Z.O.Z. van Migranten Televisie Nederland, bij zijn vertrouwde VPRO. Dat deed hij even belangstellend en levendig als in zijn hoogtijdagen bij Het blauwe licht.

Zijn laatste boek, de roman Badal (2011), werd het proefschrift dat hij nooit schreef. Het boek is het ontluisterende zelfportret van een intellectueel die zich ondanks zijn drift tot integratie onaangepast voelt en uiteindelijk ten onder gaat. Hoofdpersoon Badal lijkt dan ook, zoals veel recensenten opmerkten, als twee druppels water op de auteur.

Het boek werd slecht ontvangen, de auteur werd hoogmoed en megalomanie verweten. Ten onrechte. Ramdas had een subtiel gevoel voor de schoonheid en tragiek van menselijke inspanningen en illusies. De burgemeesterstoon van zwaarmoedige ernst en nationale ponteneur, zo nadrukkelijk aanwezig onder opiniemakers, ontbrak bij hem.

Aan het eind van het boek verdwijnt Badal in de golven. „Hij wist ineens welk geheel Gotan Project en Amy Winehouse en ‘Baker Street’ vormden. Hij liet zich zachtjes wiegen op een zesachtstemaat.”

Op de vraag ‘wat is de beste plek om te wonen’, antwoordde Anil Ramdas in HP/De Tijd: „Niet op deze aarde. Ik ben zo’n beetje overal geweest en voel me nergens thuis.”