Concurrerende milities knippen Libië in stukjes op

Kolonel Gaddafi is weg, maar de eenheid in Libië is ver te zoeken. Milities weigeren de wapens neer te leggen en raken af en toe slaags.

Members of the new Libyan military force under the ruling National Transitional Council parade along a main street in the Libyan capital Tripoli on February 14, 2012, to mark the one year anniversary of the start of the uprising which saw the death of former leader Moamer Khadfi. AFP PHOTO/MAHMUD TURKIA AFP

De nieuwe commandant van de Libische strijdkrachten-in-wording, generaal Youssef Mangoush, blijft hardnekkig volhouden dat de gewapende brigades in het land geen groot probleem vormen. Op een vraag hierover antwoordde hij deze week volgens een bron op internet, die zei zijn informatie uit de eerste hand te hebben, met de wedervraag : „Welke brigades?”

Toen zijn gesprekspartner aanhield en zei dat hij doelde op gewapende brigades, die ervoor kiezen zijn aanbod te negeren op te gaan in het nationale leger of zich te ontwapenen, antwoordde Mangoush geprikkeld: „Nee, nee, ze zullen allemaal meedoen, we zijn allemaal verenigd in Libië.” De bron noemde de reactie van de generaal „nogal verontrustend”.

Een jaar na het begin van hun opstand delen veel Libiërs dat gevoel. Aan de succesvolle oorlog tegen het regime van kolonel Moammar Gaddafi heeft Libië een wildgroei overgehouden aan zwaar gewapende milities, die tegenwoordig brigades heten. De brigades hebben het land en de steden, inclusief de hoofdstad Tripoli, in eigen rijkjes geknipt, compleet met gewapende controleposten aan de grenzen en gevangenissen. Internationale mensenrechtengroepen en organisaties die bij de wederopbouw van het land zijn betrokken beschuldigen de ex-rebellen van zware schendingen van de mensenrechten, gewapende botsingen en wetteloosheid.

Zwaar bewapende brigades hebben nu een groot deel van Libië in hun macht, meldde Amnesty International deze week in een nieuw rapport. Doordat de Nationale Overgangsraad en het interim-kabinet nalaten hun folterpraktijken aan te pakken of hen te ontwapenen komt de stabiliteit en veiligheid van Libië in gevaar, aldus Amnesty.

Niemand weet hoeveel brigades er precies zijn, ruwe schattingen houden het op honderden. Zij zouden volgens even ruwe schattingen in totaal honderdduizenden strijders tellen. Veel van hun commandanten weigeren uitdrukkelijk de wapens die ze uit Gaddafi’s arsenalen plunderden of uit buitenlandse bron kregen, op te geven. Zo willen ze greep houden op het bewind en de vruchten van de revolutie plukken die hun naar hun mening toekomen.

„We zullen onze wapens niet neerleggen tot we zeker weten dat de revolutie op het juiste spoor zit”, zei brigadecommandant Ibrahim al-Madani deze week op een persconfentie in Tripoli. De persconferentie had plaats ter gelegenheid van de vorming van een nieuwe federatie van honderd strijdgroepen uit het westen van Libië. De federatie moet de onderlinge gevechten beperken die nu aan de orde van de dag zijn en hun druk op de centrale autoriteiten te coördineren.

Het nieuwe regime is corrupt, vinden de ex-rebellen, en het is bovendien geïnfiltreerd door voormalige aanhangers van Gaddafi, zeggen ze. Al-Mukhtar al-Akhdar, een commandant van de machtige militie van de stad Zintan, zei deze week tegen het persbureau Reuters dat „we een zware prijs in de revolutie hebben betaald. En dat deden we niet omwille van een zetel of macht, maar voor vrijheden en rechten”. Maar die vrijheden gelden strikt de eigen partij, niet de concurrerende milities waarmee op straat oorlog wordt gevoerd om elke schending van zelf-getrokken grenzen. En zeker niet wie van steun voor Gaddafi wordt verdacht.

Neem Ahmed Ibrahim, minister van Onderwijs van Gaddafi, en een van de meer dan 8.000 gevangenen in handen van de milities. De Amerikaanse website The Daily Beast publiceerde deze week een gesprek met een militieleider die op zijn telefoon beelden van Ibrahim laat zien, verzwakt, met een blauw oog en butsen op zijn voorhoofd. „We hebben hem in een kooi op het gevangenisterrein gezet”, zegt de militieleider. „Wanneer iemand binnenkomt, moet hij blaffen. We slaan ze allemaal, maak je geen zorgen. En we slaan Ahmed Ibrahim het hardst. We moeten weten waar hij zijn geld heeft verstopt.”

Ibrahim is geen uitzondering, maar regel. Volgens Amnesty International en andere mensenrechtengroepen worden gevangenen standaard mishandeld. Artsen zonder Grenzen trok vorige maand zijn mensen uit Misrata terug omdat ze gedetineerden tussen foltersessies moesten oplappen. Gevangenen krijgen geen bezoek van advocaten en worden niet berecht.

Er is tot dusverre geen enkele aanwijzing dat de autoriteiten proberen orde op zaken te stellen. De landen die de Libische opstand indertijd gewapenderhand hebben gesteund, beginnen zich nu zorgen te maken. Ter gelegenheid van de verjaardag van de opstand riep het Witte Huis gisteren de Libiërs op „de vrijheden te beschermen”.

    • Carolien Roelants