BRIEVEN OVER FRAUDE

Jos Engelen (

4)

De geloofwaardigheid van het wetenschappelijk onderzoek staat onder druk sinds enkele omvangrijke fraudezaken aan het licht zijn gekomen. Gesjoemel dat kon ontstaan en voortduren door gebrek aan een goed werkend controlesysteem op het wetenschappelijk onderzoek.

In het interview Fraude is zaak van Universiteiten (Wetenschapsbijlage, 4 februari) betoogt NWO-voorzitter Jos Engelen echter: “er is niets mis met dat systeem”. Ik vind dit soort uitspraken zowel onthutsend als verontrustend.

Engelens reactie is onthutsend omdat je van een wetenschapper mag verwachten dat hij in staat is de feiten op juiste wijze te interpreteren en daar conclusies uit te trekken. Engelen – van huis uit een natuurkundige – negeert echter de feiten als het gaat om fraudeproblematiek in het wetenschappelijk onderzoek.

Geconfronteerd met twee recente gevallen van grootschalige fraude in het wetenschappelijk onderzoek – Stapel in Tilburg en Poldermans in Rotterdam – constateert hij droogjes “dit zijn uitzonderlijke figuren” en betoogt: “Excellente onderzoekers zijn honderd procent betrouwbaar. Excellente onderzoekers frauderen niet”.

Opmerkelijk, want volgens hem krijgen alleen excellente onderzoekers geld van NWO. En Stapel en Poldermans hebben geld gekregen van NWO. Zij zijn dus volgens hem ‘excellente onderzoekers’. Je hoeft geen excellente onderzoeker te zijn om te begrijpen dat Engelens redenering hier niet klopt. De aanpak van problemen begint met de erkenning ervan, niet de ontkenning. Maar Engelen lijkt slechts duidelijk te willen maken dat we voor de oplossing van de fraudeproblematiek niet bij NWO hoeven aan te kloppen.

En juist daarom is Engelens reactie verontrustend. Als de voorzitter van NWO voor zijn eigen organisatie geen rol weggelegd ziet bij de aanpak van fraude en steevast naar de universiteiten wijst – terwijl inmiddels empirisch is gebleken dat deze universiteiten fraude niet aanpakken – dan ontstaat er een vacuüm dat de natuurkundige Engelen wellicht fascineert, maar de Nederlandse wetenschap op geen enkele wijze verder helpt.

Een duidelijk(er) controlesysteem is dus nodig. En de NWO kan dat niet overlaten aan derden. Dat vindt zij zelf overigens ook. Zo stelt het NWO in 2009 in een gemeenschappelijk verklaring met universitaire instellingen (Naar de top vijf! Wat vergt dat?) dat universiteiten, NWO en KNAW samen zorg dragen voor “betere verantwoording van de besteding van onderzoeksmiddelen, van de resultaten die zij bereiken en van de wijze waarop zij het onderzoek beoordelen.” De NWO acht zich dus weldegelijk medeverantwoordelijk.

Ik roep Engelen dan ook op om zijn verantwoordelijkheid te nemen door met zijn organisatie een cruciale te willen gaan spelen bij het uitbannen van de twijfel over de wetenschappelijkheid van onderzoek.

Zijn NWO moet een keurmerk zijn voor gedegen wetenschappelijk onderzoek. Maar zonder duidelijke eisen en controle, wordt dat keurmerk steeds minder waard. En als achteraf blijkt dat het geld toch foutief is besteed omdat de universiteit verzuimd heeft haar controletaak uit te voeren, dan moet de NWO de gelden van de in gebreke blijvende universiteit terugvorderen.

Anne-Wil Lucas

Lid Tweede Kamer voor de VVD en onderwijswoordvoerder

Controle op fraude

Minder fraude in de wetenschap? Fraude wordt ontdekt als anderen het werk controleren. Maar nog een controleorgaan van de overheid om publicaties te controleren, onder geheimhouding middels een steekproef, is te bureaucratisch. Peer reviews helpen maar ten dele, omdat bijvoorbeeld databestanden soms niet beoordeeld worden. En men beoordeelt elkaar en heeft elkaar weer nodig.

Er zijn wel juridische en organisatorische maatregelen mogelijk. Aansprakelijk stellen van een frauderende wetenschapper (of een instelling of bedrijf) voor de gevolgen, alsook voor het misbruik van bijvoorbeeld overheidsgeld. Korten op geldstroom van de overheid. Ontslag uit functie zonder vertrekpremie. Ontnemen van de wetenschappelijke titel. Strafbaar stellen van fraude in wetenschappelijke publicaties moet ook kunnen, vanwege maatschappelijke belangen.

‘Naming and shaming’ via een openbare lijst met namen van alle bij fraude betrokken wetenschappers (en hun werkgever) . Een onafhankelijke instantie, gecontroleerd door bijvoorbeeld justitie, moet die lijst publiceren. Betrokkenen bij fraude die niet gecontroleerd hebben of de publicatie correct is, horen ook op die lijst. Wetenschappers blijven tien jaar op de fraudelijst staan.

Controle van collega’s is een goede basis voor integriteit. De gedragscode van de Vereniging van Universiteiten VSNU (zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid, onpartijdigheid, onafhankelijkheid) is prima, maar niet afdoende.

Harry G. Bakker

Nuth

Controle op fraude (

2)

Wat mij in de discussie over wetenschapsfraude telkens weer frappeert is de eenzijdige aandacht voor de eindcontrole aan het eind van het onderzoeksproces.

Beschouw het onderzoeksproces – hoe complex ook – als een productieproces in bijvoorbeeld een levensmiddelenfabriek: de controle op de kwaliteit van het product is ingebouwd in het proces, gebaseerd op een risicobenadering. Risico’s worden op voorhand ingeschat of vastgesteld na (pijnlijke of kostbare) ervaringen. Op die punten in het proces worden dan maatregelen getroffen, zodat de kwaliteit in het hele proces is geborgd, en een eindcontrole tot een absoluut minimum kan worden beperkt.

Vertaald naar het wetenschappelijk onderzoeksproces: op elk punt waar fraude kan worden gepleegd bouw je een mechanisme in het proces dat afwijkingen traceert. Controles tijdens het proces, niet erna. Dat zal menige potentiële fraude voorkomen.

Marcel Severijnen

Elsloo

Plagiaat (

3)

Na lezing van Delfts kopieerwerk (Wetenschapsbijlage, 11 februari) en de brieven in hetzelfde nummer bekroop mij een onaangenaam gevoel van déjà-vu. Als universitair medewerker Engelse taalkunde tussen 1960 en 2000 zag ik geregeld wetenschappelijk gesjoemel en jatwerk aan mij voorbij trekken.

Het halsstarrig bagatelliseren en ontkennen van de Delftse promovenda en haar medestanders dat zij het kennelijk overgeschrevene zou hebben overgeschreven, doet mij denken aan de even halsstarrige ontkenningen in de Dutch Quarterly Review van 1978 van een tweetal jonge collega’s nadat zij door een recensent waren betrapt op het plunderen zonder bronvermelding van mijn onderwijsmateriaal. Een en ander werd vervolgens, om te beginnen door DQR, eveneens vergoelijkt en gebagatelliseerd. Beide collega’s schopten het uiteindelijk tot hoogleraar.

Kort voor mijn pensionering protesteerde ik herhaaldelijk bij het college van bestuur van de UvA tegen de verkoop door, althans onder verantwoordelijkheid van, de directeur van de toenmalige letterenfaculteit drs. A.J.H.A. Verhagen van een Workbook 1 Engels à ƒ 3,20. Dit werkje bleek letterlijk van kaft tot kaft gepikt – zonder toestemming en/of bronvermelding. Tot op heden heb ik van het college geen antwoord mogen ontvangen op deze melding van plagiaat en misbruik van auteursrecht.

Ik geloof niet dat een cursusje ‘wetenschappelijke integriteit’ veel kan verbeteren aan dit soort toestanden. Kennelijk zijn wij een volkje van onverbeterlijke sjoemelaars en gedogers die elkaar liefst de hand boven het hoofd houden.

Dr. Luc van Buuren

Bloemendaal

Plagiaat (

4)

Toch met enige verbazing gelezen, die stukken in de Wetenschapsbijlage van 11&12 februari, en die van emeritus A.J. van Essen in het bijzonder: die heeft blijkbaar geen idee hoeveel er de laatste jaren veranderd is. Zo wordt dit soort kwesties bij de opleidingen Mediastudies aan de UvA al sinds jaar en dag in de propedeuse expliciet aan de orde gesteld. Eerstejaars studenten moeten bovendien al hun werk elektronisch inleveren, opdat het automatisch kan worden gecontroleerd op plagiaat. Er is een actief anti-plagiaat beleid, voor alle jaren, met een stelsel van procedures, sancties en registraties. Van wegmoffelen of bagatelliseren is absoluut geen sprake, elke zaak wordt zorgvuldig uitgezocht, waarna sancties worden opgelegd oplopend tot een jaar uitsluiting van de studie en nietigverklaring van alle resultaten van betreffende cursussen. Dat is een totaal ander beeld dan in de verschillende bijdragen wordt gesuggereerd.

Frank van Vree

Decaan faculteit Geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam