Zoek de verwondering

Antoon Erftemeijer: Het oor van Vincent. Merkwaardige feiten uit de kunstgeschiedenis. Becht, 514 blz. € 32,95

Het oor van Vincent is een lawine op het gebied van de kunstgeschiedenis. Let niet op de titel, want dan zou u kunnen denken ‘toch niet wéér over dat belangrijkste oor ter wereld’. Toch verbergt dat op zichzelf staande titelverhaal in dit zuinig geïllustreerde naslagwerk iets pikants. We weten dat er een moment kwam in het huis in Arles dat het niet meer boterde tussen Van Gogh en Gauguin. Dat escaleerde op 23 december 1888. Vincent ontdeed zich van een oor en bracht het ’s avonds naar een prostituee in een kroeg.

Antoon Erftemeijer, schrijver van die kunsthisitorische stortvloed, maakt enigszins aannemelijk dat het ook anders kan zijn gegaan. Sloeg Gauguin, een fervent schermer, tijdens een ruzie Vincent een oor van het lijf? Dezelfde dag nog nam hij namelijk de benen naar Parijs. En als lezer denk je dan: zou Van Gogh, zoals in de recente Amerikaanse biografie wordt beweerd inzake het latere buikschot, ook de schuld voor dat afgesneden oor op zich hebben genomen, uit christelijke naastenliefde?

Erftemeijer, een kunsthistoricus met een academie-opleiding, spoorde een ongekende hoeveelheid ‘merkwaardige feiten’ uit de kunstgeschiedenis op en rangschikte die in 26 hoofdthema’s en ruim 280 subthema’s, van ‘vingerafdruk op schilderijen’ tot en met ‘het lijk als model’. Er gaat een groots verzamelaar en encyclopedist in hem schuil, want in De Aap van Rembrandt (2001) stapelde hij al de ene op de andere kunstanekdote, vanaf de klassieke oudheid tot heden. En uit die 2500 jaar duiken in dit nieuwe boek opnieuw interessante, vaak onbekende, soms maffe wetenswaardigheden en citaten op, bijeengesprokkeld uit catalogi, kranten, boeken, archieven, biografieën, etc.

Neem een greep uit het eerste subthema ‘Wonderkinderen’, waar tientallen kunstenaars in voorkomen. Hendrick Goltzius decoreerde als kind al de muren van zijn ouderlijk huis. Op zijn elfde jaar kwam Jean-Auguste-Dominique Ingres al op de kunstacademie van Toulouse terecht. Isaac Israels was 17 toen zijn forse doek ‘Militaire begrafenis’ (1.26 bij 2.61 meter), nu in het Gemeentemuseum Den Haag, veel lof kreeg op de Parijse Salon. En Picasso beweerde nooit een kindertekening te hebben gemaakt. Want ‘toen ik zo oud was al zij (kinderen, red.) kon ik tekenen als Rafaël, maar het kostte me een heel leven om te leren tekenen zoals zij’.

Het is Erftemeijer te doen om de verwondering, schrijft hij, niet om de bewondering. De bronnen van zijn ‘vondsten’ moesten betrouwbaar zijn – zie de bibliografie van twintig pagina’s. Of het nu over ‘Ateliers’ gaat of ‘Roem’, over ‘Extremen in de kunst’ of het ‘Menselijk Lichaam’ – de vergaarde kennis is zo breed en divers dat je per dag niet meer dan een themahoofdstuk moet lezen, om curiositeiten even te laten bezinken of om beelden te visualiseren. Bijvoorbeeld dat er een vijftig meter lange, ondergrondse kerk van zout bestaat, niet ver van Krakau. En dat in 2000 de Britse ontwerper Michael Gill een opblaasbare, gotische kerk met een spits van vijftien meter heeft geproduceerd. ‘Als mensen niet meer naar de kerk gaan, dan moet de kerk naar de mensen’, vond Gill. De architectuur staat bij Erftemeijer overigens in de schaduw van de schilderkunst. Zo lezen we bij het subthema ‘Ateliers’ dat de Japanse kunstenaar Hokusai er 93 moet hebben gehad, omdat hij een vervuilde ruimte inruilde voor een nieuwe studio, tot ook die weer vies was; en dat Hendrik Weissenbruch ‘achteloos over op de grond verspreid liggende tekeningen’ liep, omdat ‘de meest beloopene het fijnste van toon waren en door de kunstkopers het meest gezocht.’

Naast de vele persoonlijke feiten – en enkele speculaties – over vrome, zieke, criminele, verongelukte, doodgevroren en alcoholische kunstenaars, komen zo’n beetje alle beeldende kunstgenres en -stromingen aan de orde: van schilderen met de voeten tot geluidskunst (al kan hier ‘de Engelenzender voor de automobilist tussen Enkhuizen en Lelystad’, een kunstwerk van Moniek Toebosch natuurlijk eigenlijk niet ontbreken); van 19de-eeuwse panorama’s tot onzichtbare kunst, zoals Yves Kleins creatie van ‘Le Vide’ (De leegte), een Parijse galerie met witte muren, die bij de opening 3.000 mensen trok.

Nooit geweten trouwens dat Sir Lawrence Alma-Tadema een serie pornografische schilderijen maakte voor koning Edward VII en dat diens wandschilderingen in Windsor Castle, een tweede, koninklijke porno-opdracht, achter gordijnen verborgen werden. En ook nooit geweten dat Vincent van Gogh en Piet Mondriaan (subthema ‘Anagram’: I paint modern) in de verte familie van elkaar waren. En dat de alcoholische Frans Hals 14 kinderen kreeg, van wie vijf zonen ook schilder werden.

Vele andere wetenswaardigheden in dit naslagachtig boek zijn eerder een opstapje naar een uitstapje, een aanmoediging om een biografie ter hand te nemen, of om het werk van een onbekende god op internet te bekijken. Verwacht geen fraaie metaforen of stilistisch vernuft, daar is gestapeld feitenmateriaal niet mee gediend. Erftemeijer oogst bewondering om zijn ijver en belezenheid. En hij roept inderdaad vaak verwondering op.