Spoor blijft Schultz maar achtervolgen

Sneeuw en ijs zijn verdwenen, maar de problemen voor minister Schultz nog niet. Ze ligt onder vuur door de spoorproblemen. Het is de vraag of de kritiek terecht is.

Na vier dagen dooi verzuchtte minister Schultz (Infrastructuur, VVD) gisteren tijdens een vervolg van het Kamerdebat over het winterweer: „Ik ben blij dat de weersomstandigheden weer wat rustiger zijn geworden.” Daar kan ze opgelucht over zijn. Maar Schultz zelf is de afgelopen week juist in een fikse storm terechtgekomen.

Drie dagen achtereen moest Schultz zich in de Tweede Kamer verantwoorden voor problemen op het spoor. Dinsdag vroeg de Kamer zich af waarom het, ondanks de vorig jaar door Schultz beloofde maatregelen, begin februari opnieuw zo’n chaos op het spoor is geworden. Woensdag kreeg Schultz met veel moeite haar reddingsplan voor de hogesnelheidslijn (hsl) door de Kamer, al moest ze beloven te onderzoeken of er niet meer spoorlijnen openbaar kunnen worden aanbesteed.

En gisteren was er het kritische rapport van de onderzoekscommissie Spoor, bestaande uit Kamerleden van VVD, CDA, PVV, PvdA en SP. Dat rapport richtte zich op het functioneren van de spoorsector, maar bleek vooral óók kritisch over Schultz zelf, die werd weggezet als „incidentenminister” zonder visie en zonder grip op NS en infrabeheerder ProRail.

GroenLinks was er gisteren als de kippen bij om Schultz verder in de hoek te drukken. „Politiek heikel voor de minister”, aldus Kamerlid Van Gent. De PvdA vindt dat Schultz „onder verscherpt toezicht” staat.

De vraag is of dat fair is. De Tweede Kamer is er immers zelf debet aan dat de minister, of het nu Schultz is of haar voorgangers, in deze lastige positie terecht is gekomen. Zeventien jaar geleden werd besloten de Nederlandse Spoorwegen te splitsen in een infrabeheerder, ProRail, en een spoorgebruiker, NS. Sindsdien worstelt de politiek met de vraag: hoeveel invloed hebben we nog? En hoeveel invloed willen we hebben?

Het antwoord op de eerste vraag luidt: weinig. En op de tweede vraag: misschien wel te veel. Het Haagse geklaag over het spoor is verworden tot een rituele politieke dans. Bij elk incident komt de politiek bijeen in een spoeddebat om zijn frustraties uit te spreken, het vertrek van directies en Raad van Commissarissen te eisen, of om voor een opnieuw samengaan van NS en ProRail te pleiten. Om daarna weer machteloos huiswaarts te keren.

Want de politieke invloed beperkt zich tot spoorconcessies, die elke tien jaar worden afgegeven. Dán kan de politiek eisen stellen. Maar elke aanvullende wens die na het zetten van de handtekeningen komt, ligt een stuk lastiger. Of de NS moet het zelf ook graag willen, of de minister moet een zak geld meebrengen. De Kamer zoekt nu wanhopig hoede touwtjes strakker kunnen worden aangetrokken. „Het is niet goed dat we NS en ProRail zo ver op afstand hebben gezet”, zegt Kamerlid Aptroot (VVD). Zijn oplossing: maak van ProRail een soort Rijkswaterstaat, dat direct onder het ministerie valt. „Dan kan je veel strakker aansturen.”

Of het spoor geholpen is bij meer politieke zeggenschap is lastig vast te stellen. Ook als semi-staatsbedrijf moeten NS en ProRail wel een zelfstandige bedrijfsvoering kunnen voeren. De politiek moet zijn plek kennen, vindt parlementariër Verhoeven (D66): „Als politiek hebben we allemaal onze kleine paradepaardjes: toiletten in de trein, het nachtnet, regionale stations. Maar we moeten juist de grote lijnen bewaken.”

De Kamer laat zich te veel afleiden, zegt Verhoeven: „We moeten niet bij elk geluid uit de samenleving gelijk weer over allerlei details willen praten.” Ook Aptroot wil de hand wel in eigen boezem steken. Want, zo zegt hij, „de Kamer is heel goed in het nemen van adhoc-besluiten. Daar moet je ook kritisch op zijn.”

    • Oscar Vermeer