Lijnen der geleidelijkheid

Thierry Baudet en Michiel Visser (red.): Revolutionair verval. Bert Bakker, 429 blz. €19,95

Wie ‘conservatief’ zegt, zegt bijna in één adem ‘progressief’, alsof die twee begrippen elkaars natuurlijke tegenhangers vormen. Maar na het lezen van de zojuist verschenen essaybundel Revolutionair verval weet je beter. ‘Eindelijk heb ik de moed gehad conservatief te zijn,’ zo wordt de 19de-eeuwse historicus Jacob Burckhardt geciteerd. ‘Liberaal zijn is het makkelijkste wat er is.’ Lees: wie zich intellectueel enige moeite wil getroosten, bekeert zich tot het conservatisme en houdt zich ver van de gemakzucht van het liberalisme.

De Zwitser Burckhardt is bij lange na niet de enige conservatief in deze bundel die er zo over denkt. De Ier Edmund Burke, de Brit John Henry Newman, de Spanjaard Donoso Cortés en de Fransman Joseph de Maistre wijzen stuk voor stuk het liberalisme aan als de grote boosdoener die de moderne tijd op hol heeft doen slaan.

De liberale ideologie heeft de banden met de traditie doorgesneden en daardoor de gematigdheid om zeep geholpen. Ze heeft met haar nadruk op het individu elk besef van gemeenschap gesmoord. Haar mateloos vertrouwen op de rede heeft het drogbeeld van de maakbare samenleving opgeroepen. En met haar hoogdravende theorieën over ‘de mens’ en diens rechten is ze vergeten dat de mensheid alleen uit concrete wezens bestaat, elk ingebed in zijn eigen cultuur, geschiedenis, gewoonten en rechtvaardigheidsbesef.

Die kritiek op het liberalisme klinkt in het begin van de 21ste eeuw nogal merkwaardig. Is het niet juist het socialisme dat bij de maakbaarheid van de maatschappij gezworen heeft? En was het niet de linkse generatie van mei ’68 die met alle tradities en gezagsverhoudingen wilde breken? Wie zichzelf als vooruitstrevend beschouwde (en wie deed dat niet?), wilde voor geen goud gesignaleerd worden in liberaal, lees conservatief, gezelschap.

Er is dus nogal wat verwarring over al deze labels en termen, zo stellen Thierry Baudet en Michiel Visser in het voorwoord van dit boek vast. Dat doen ze niet voor het eerst. In de twee jaar geleden verschenen bundel Conservatieve vooruitgang weigerden ze al het conservatisme gelijk te stellen aan reactionaire behoudzucht. Een conservatief wijst niet de vernieuwing, maar alleen onbesuisde veranderingsdrift af, zo schreven ze toen.

Ze leidden er een boek mee in dat portretten gaf van een twintigtal belangrijke conservatieve denkers uit de 20ste eeuw. Revolutionair verval vormt daarmee een tweeluik. Het presenteert conservatieve denkers uit de 18de en 19de eeuw, van Montesquieu, Hume en Hegel tot Tocqueville, Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper.

Hengsel

Dat verklaart misschien de wonderlijke filippica’s van de geportretteerde denkers tegen het liberalisme. Die term besloeg een ruimer veld dan wat we er nu onder verstaan; de Amerikaanse gewoonte progressiviteit als liberal aan te duiden herinnert daar nog aan. Geen wonder dat Donoso Cortés de sociale bewegingen van de 19de eeuw als een direct gevolg kon zien van de ‘liberale’ Verlichting. Die had alles uit zijn hengsels gelicht en met de Franse Revolutie de poppen definitief aan het dansen gebracht.

Baudet en Visser vermijden dat probleem gewiekst, door conservatisme zelf níet tegenover liberalisme te plaatsen, maar tegenover revolutie. Het conservatisme wil wel veranderen, maar geleidelijk aan – zo schrijven ze – en zonder de band met het bestaande rigoureus door te snijden. Het is wezenlijk anti-revolutionair – en dan begrijp je beter wat iemand als Abraham Kuyper in deze bundel doet. Je begrijpt ook beter hoe Hans Wiegel in deze krant (Opinie, 02-02-12) onlangs samensteller Thierry Baudet kon prijzen als een denker die hem als liberale politicus wist te imponeren.

En daarmee zijn we opnieuw in de verwarring beland en wreekt zich het ontbreken van een zelfstandige conservatieve traditie in Nederland. Van armoede heeft het een verband moeten aangaan met christelijke stromingen of met een liberalisme dat nu wél grotendeels gedreven wordt door behoudzucht. Dat heeft het conservatisme zelf geen goed gedaan – en tot voor kort leek Burckhardts verzuchting eerder met omgekeerd voorteken te gelden: wie enigszins wil nadenken, betoont zich een liberal, en schuwt de conservatieve gemakzucht.

Driestheid

Het is goed dat Baudet en Visser het dode water van het conservatieve denken en vooral de conservatieve houding met deze twee boeken opnieuw in beweging brengen. Terecht constateren zij dat revolutionaire driestheid al lang niet meer de aantrekkingskracht heeft die ze enkele decennia geleden nog bezat. De hele samenleving, van links tot rechts, is door de conservatieve attitude aangeraakt. Ook in de progressieve politiek doet men het inmiddels liever langzaamaan, dan breekt het lijntje niet. Misschien was dat in de Nederlandse verhoudingen trouwens altijd al meer het geval dan de heethoofdige woorden lieten vermoeden.

Maar vreemd genoeg dreigt het gevaar nu van een kant die Baudet en Visser nauwelijks ter sprake brengen. Het conservatisme is zelf revolutionair geworden. In de gestalte van de Amerikaanse neo-cons – die in dit boek slechts even terloops en in het vorige nauwelijks uitgebreider op het toneel mochten verschijnen – is de radicale hervormer heropgestaan die de hele samenleving op de schop wil nemen.

Dat blijft niet tot Amerika beperkt, al heeft het revolutionaire neo-conservatisme hier nog lang niet zo’n radicale gestalte aangenomen. Maar wel begint heel voorzichtig opnieuw het spook van een bemoeizuchtige staat de kop op te steken. Een oplaaiende schoolstrijd, een almaar grotere greep op de persoonlijke levenssfeer en een nauw verholen agressie tegen godsdienst gooit hoge ogen in een partij als de VVD, die nauwelijks nog lijkt te weten of ze ouderwets conservatief, gelaten oud-liberaal, verbeten neo-liberaal of neo-conservatief revolutionair moet zijn. Hoe die partij daarop nog een rechte koers kan uitzetten, blijft ook bij Baudet en Visser een open vraag.

    • Ger Groot