Lego spelen met meneer

Het autobiografische Mijn meneer gaat over pedofilie. Fictie voegt hier nuance toe aan het debat.

Thomas de Veen

Boekrecensent

Side profile of a son holding his father's hand --- Image by © SuperStock/Corbis © SuperStock/Corbis

Hield Ted van Lieshout iets over aan de relatie die hij als kind had met een volwassen man? Hij ‘weet het domweg niet’, schrijft hij in een nawoord bij zijn autobiografische roman Mijn meneer, maar hij heeft er ‘geen spijt’ van. De vraag óf een pedofiele relatie per definitie walgelijk en traumatisch is, mag tegenwoordig niet eens meer gesteld worden. Toch wilde Van Lieshout die roman schrijven, want de wereld is veranderd sinds Een kind met vier benen (1982) van Kees Verheul en Voor een verloren soldaat (1986) van Rudi van Dantzig, romans over pedofilie die in hun tijd weinig stof deden opwaaien.

Van Lieshout schreef zijn autobiografische roman als een nuancering van het heersende (onderbuik)gevoel over pedofielen, ‘omdat de berichtgeving over pedofilie doorgaans eindigt bij een pedoseksueel die een slachtoffer heeft gemaakt, en wat er dan precies gebeurd is wordt overgelaten aan de eigen verbeelding’.

Om misverstanden te voorkomen benadrukt Van Lieshout in het nawoord dat hij pedoseksuele relaties ten stelligste afkeurt – hij voelde de verdachtmakingen alweer op zich afkomen, zoals die er kwamen nadat hij zich minder veroordelend had opgesteld in zijn dichtbundel Zeer kleine liefde (1999), waarin dezelfde relatie ook al tot literatuur verwerkt werd.

Mijn meneer is geen apologie voor seks met kinderen en geen softporno voor pedofielen. Dan had Van Lieshout wel een vertelling vanuit een pedofiel gemaakt, niet een verhaal dat consequent gezien wordt door de ogen van het 11-jarige jongetje Ted, dat zichzelf erg bijzonder vindt, maar ook wel bijzonder gevonden zou willen worden door de rest van de wereld.

Van Lieshout weet zijn jonge verteller een dosis naïviteit mee te geven die bij zijn leeftijd past. Niet wereldwijs, maar ook niet te naïef: Ted schrijft brieven aan Maria en wacht in alle oprechtheid op een heilig antwoord, maar vindt het ook wel ‘heel toevallig’ dat hij ‘die man nu alweer’ tegenkomt. Die man, dat is een man die in het bos zijn hond uitlaat en Ted herkent als de jongen die ‘opvallend goede’ tekeningen maakte bij de tekenwedstrijd in het dorp. Als hij bij de meneer thuis samen met hem mag komen legoën, vindt hij dat wel wat gek, maar vooral leuk. Kennelijk vindt ‘zijn’ meneer hem anders dan andere kinderen en is meneer zelf ook anders dan andere meneren. Van het een komt het ander. Van legoën komt tekenen, van tekenen komt modeltekenen, komt uitkleden. En van uitkleden komt bloot knuffelen op de divan. Meneer gaat weer een stapje verder en achter de naïviteit van Ted groeit iets nieuws. Waar de manipulatie van de volwassene ophoudt en waar Ted zelf verder wil, is niet te zeggen. Hij gaat niet met tegenzin, maar met graagte mee in wat voor hem een eerste kennismaking met liefde is. Dat is het cruciale punt, dat Mijn meneer intrigerend en onderhoudend maakt: een verhaal over manipulatie gaat langzaamaan over in een verhaal over een liefdesrelatie.

In een maatschappelijke discussie die geen redelijkheid meer duldt, biedt Mijn meneer een voorzichtig tegengeluid, waarvan je niet wist dat je het wilde horen. De gezochte nuance heeft Van Lieshout gevonden, met een roman die er literair en maatschappelijk toe doet.

Ted van Lieshout: Mijn meneer. Querido, 240 blz. € 18,95

    • Thomas de Veen