Kritisch, in vredesnaam kritisch

Filosofen hebben tegenwoordig uitgesproken en interessante meningen over actuele kwesties, en schrijven die informeel en persoonlijk op. Maar wat is dan nog het onderscheid met de geïnformeerde commentator of columnist?

Rene Boomkens: Erfenissen van de Verlichting. Inleiding in de cultuurfilosofie. Boom, 450 blz. € 34,50

Hans Achterhuis: Zonder vrienden geen filosofie. Lemniscaat, 80 blz. € 12,50

De Britse filosoof Bertrand Russell verkondigde gedurfde opvattingen over politiek en de maatschappij: hij was een pacifist, en tegen de oorlog in Vietnam. Hij liep er een hoogleraarschap door mis en belandde er voor in de cel. Hij klaagde daar niet over. Maar hij zag die maatschappijkritiek ook niet als kern van zijn filosofische bedrijf. Dat zou van de filosoof een deskundige maken op een terrein waarop hij geen andere expertise heeft dan anderen die bereid zijn na te denken. Filosofen moeten theoretische problemen in hun vak oplossen of verhelderen, dat is al moeilijk genoeg.

De Duitse filosoof Hegel dacht daar anders over. Hij wilde zijn tijd ‘vatten in begrippen’. En zag vervolgens de wereldgeest te paard langskomen, in de persoon van Napoleon. Maar Hegel probeerde zijn opvattingen over het heden ook te verwerken in een ambitieuze, abstracte metafysica van de Geest, die het hele repertoire van de Europese filosofie omvatte.

Eigentijdse ‘cultuurfilosofen’ lijken nu juist te streven naar de status die Russell afwees, maar zonder meteen Hegel te willen worden. Zij zijn actualiteitsdenkers, die niet alleen als burger maar in hun hoedanigheid van academisch filosoof de maatschappij becommentariëren. Zo kennen we in Nederland de bevlogen conservatief Ad Verbrugge, feministe Stine Jensen en natuurlijk de gereputeerde Hans Achterhuis, ‘denker des vaderlands’, een eretitel waarmee hij – gelukkig – ironisch omgaat.

Hun werk levert intelligente en prikkelende observaties op. Maar is het een apart vak? Gaat het in hun commentaar op de actualiteit, het neoliberalisme of de kredietcrisis om meningen van filosofen of bestaat er een aparte, wijsgerige denkdiscipline over de eigen tijd?

Geestdriftig

Volgens René Boomkens bestaat die; hij geeft er zelf les in. Erfenissen van de Verlichting, zijn inleiding in de cultuurfilosofie, draait om kritische opvattingen over de moderne cultuur, inclusief thema’s als verstedelijking, massa en elite, media, en globalisering. Als inleiding in het denken van talrijke filosofen die zich met de cultuur van hun tijd hebben verstaan, van Nietzsche tot Foucault en Benjamin, is dit boek meer dan geslaagd: Boomkens schrijft geestdriftig en met kennis van zaken – al leunt hij wel erg zwaar op kritische denkers uit de Frankfurter Schule. De ‘linkse kerk’ komt wat beter uit de verf dan de rechtse.

Maar wat verbindt deze denkers? Boomkens spreekt van ‘een radicaal historisch en (zelf) kritisch discours’ en van een ‘ontologie van het heden’. Filosofisch eraan is ‘de normatieve inzet’: het gaat om ‘expliciteren en verdedigen’. En dat moet ‘kritisch, in vredesnaam kritisch’, verzucht hij, met een echo van de laatste woorden van Joseph Conrads Mr. Kurtz.

Dat is een hele mond vol. Geen wonder, want Boomkens moet zijn vak niet alleen afgrenzen tegen de empirische wetenschappen, hij wil ook de inmiddels salonfähige kritiek ontlopen op de uit Amerika overgewaaide cultural studies (modieus) en de politiek-correcte afkeer van ouderwetse Europese cultuurkritiek (reactionair). Toch slaagt hij er niet helemaal in om waar te maken dat het hier gaat om een aparte subdiscipline van de filosofie, en niet eerder om een verzameling van, vaak rake, cultuurkritische meningen van filosofen.

Het probleem lijkt, dat er evenveel ‘ontologieën van het heden’ zijn als cultuurfilosofen, van links tot rechts en revolutionair tot reactionair. Maar wat leren zij – en wij – precies van elkaar? Vooruitgang in de filosofie, hoe traag ook, is niet helemaal een illusie – we kunnen logische en metafysische problemen nu beter te lijf dan Aristoteles. Maar wat zou vooruitgang in ‘cultuurfilosofie’ behelzen?

Een vooraanstaande Nederlandse filosoof die ook graag de tijdgeest op de hielen zit, Hans Achterhuis, werpt daar enig licht op in een nieuw, autobiografisch getint essay. In Zonder vrienden geen filosofie breekt hij een lans voor zijn manier van ‘persoonlijk schrijven’.

Achterhuis schreef invloedrijke boeken over onder meer de Derde Wereld in de jaren zestig, welzijn in de jaren zeventig (De markt van welzijn en geluk), arbeid in de jaren tachtig (Arbeid, een merkwaardig medicijn) en utopisme in de jaren negentig (De erfenis van de utopie).

Recenter zijn een ambitieuze, lijvige studie over geweld en een essay over neoliberalisme, in feite een aanvulling op het eerdere boek waarin hij de utopie doodverklaarde. Achterhuis’ boeken zijn altijd goed leesbaar en barsten van de verwijzingen naar ‘grote studies’ van andere denkers, met wie hij zich verbonden voelt (zijn filosofische ‘vrienden’). Zulke vriendschap is de basis voor zijn denken.

Maar wat is ‘persoonlijk schrijven’? Achterhuis vindt dat een filosoof moet reflecteren op persoonlijke vragen over de eigen tijd. Daarvoor moet je, schrijft hij, een ‘eigen vraagstelling’ hebben, ‘tegen jezelf in durven denken’, ‘een eigen stijl verwerven en een eigen visie ontwikkelen’. Zoals hij deed: ‘Het ging en gaat mij er niet om, bevestiging voor mijn ideeën te vinden, maar juist om mijn eigen, vaak breed maatschappelijk gedeelde vooronderstellingen onder vuur te nemen.’

Dat is inderdaad de taak van een filosoof. Maar hoe doe je dat? Nog afgezien van de aanvechtbare titel (zou filosofie niet eerder baat hebben bij intellectuele vijandschap of in elk geval rivaliteit dan bij vriendschap?), roept dit prikkelende exposé veel vragen op.

Achterhuis meent bijvoorbeeld dat ‘persoonlijk schrijven’ hem en zijn filosofische vrienden onderscheidt van analytische filosofen (die hij een tikje neerbuigend ‘anglo’s’ noemt), die zich meer op de wetenschap richten. Zij kunnen inderdaad zeer technisch worden, dat is waar. Maar zelfs het technische werk van filosofen als Quine of Kripke heeft een eigen vraag, visie en stijl. En aan de genadeloze revisie waaraan Russell en Wittgenstein hun werk onderwierpen, kunnen praatgrage publieksfilosofen als Sloterdijk en Zizek een voorbeeld nemen. Bovendien, het hele onderscheid tussen analytische en continentale filosofie is tot op de draad versleten – wat Achterhuis zelf ook ergens kort aanstipt.

Wat is er dan wél typisch ‘persoonlijk’ aan deze filosofie? Dat is het engagement met actuele vraagstukken. Het doel van ‘wijsgerige actualiteitsanalyse’ is niet het oplossen van academische problemen, maar het verhelderen van vragen over de eigen tijd, aldus Achterhuis.

Maar wat is dan het verschil met een column, een essay of een kerkdienst? Ook daarin kan streng worden geargumenteerd, zonder dat de waarheid het ultieme doel is. Of met ideeëngeschiedenis, die ook inzicht geeft in de wording van de eigen tijd en cultuur?

Zo blijft ondanks alles onduidelijk of een filosofische discipline die op de eigen cultuur reflecteert meer kan inhouden dan het ontwikkelen van een eigen stijl, boeken van collega's lezen en langer nadenken over wat er in de krant staat dan de meeste mensen.

Idealisten

En wat behelst precies ‘tegen jezelf indenken?’ Achterhuis schrikt daar niet voor terug. Maar als hij het vroegere engagement van intellectuelen als hijzelf met Stalin en Mao behandelt, schrijft hij: ‘Omdat het abjecte karakter van [Hitlers] uitspraken volstrekt duidelijk was, kon hij moeilijk goedgelovige idealisten verleiden. Dat ligt anders bij Stalin, Mao Ze Dong en Pol Pot.’ Dat is niet alleen een curieuze non sequitur, het lijkt mij ook onjuist. Was Heidegger geen idealist, of al die andere rechtse intellectuelen die achter Hitler aanliepen?

En dan schrijft hij: ‘Zo lang de massamoord in Cambodja, net als die in China, door de afgeslotenheid van het land, onttrokken was aan het zicht van de wereld, waren er veel communistische en maoïstische westerse intellectuelen die hem bewonderden.’

Los van de vraag op wie ‘hem’ slaat in die zin, is dit al te onschuldig geformuleerd. Het eerste boek over de Cambodjaanse genocide, Cambodge annéé zero van François Ponchaud, dateert al van 1977, nog maar twee jaar na de val van Phnom Penh. Alleen, dat boek werd toen door linkse intellectuelen gewantrouwd of zelfs afgedaan als CIA-propaganda.

Elders erkent Achterhuis ‘ruiterlijk’ dat hij het mis had in De erfenis van de utopie, zijn verwerking van de val van de Muur en het einde van het communisme. De utopie bleek daarna niet dood, maar springlevend: in het neo-liberalisme. Dat ontbrak helaas in zijn boek.

Hoe formuleert hij dat voortschrijdend inzicht? Hij kende het neoliberalisme al wel, en moest er niets van hebben, maar hij ‘dacht liever kritisch na over mijn eigen persoonlijke vragen en blindheden, dan dat ik bevestiging ging zoeken voor mijn afwijzing van de neoliberale ideologie.’ Pas toen de kredietcrisis uitbrak probeerde hij ‘de verleidingskracht te begrijpen die de neoliberale benadering voor velen kennelijk nog steeds heeft’.

Met andere woorden, hij wist al hoe het zat, maar vond het niet nodig dat aan te kaarten zolang er niets over in de krant stond. Pas toen dat gebeurde, boog hij zich verbaasd (hij ‘probeerde te begrijpen’) over de vraag waarom ‘velen’ er nog van in de ban waren.

Dat is niet tegen jezelf indenken, dat is altijd gelijk hebben, zelfs als je ongelijk hebt. Wie maar lang genoeg tegen zichzelf indenkt, denkt op een goed moment altijd weer met zichzelf mee.

    • Sjoerd de Jong