In actie tegen, eh, vast wel iets

Een jongeman die schrijver wil worden, stort zich in het studentenleven. In handen van Gerrit Komrij kan dat nooit goed aflopen.

Gerrit Komrij: De loopjongen. De Bezige Bij, 160 blz. € 17,50

In de romans van Gerrit Komrij gaat het vaak zo: in het begin zijn de vooruitzichten nog gunstig, ergens halverwege wordt het al minder en aan het eind is de hoofdpersoon een illusie armer. En die vraagt zich dan af, net als de lezer trouwens: wat is de waarheid, wat is ware liefde, hoe ziet echte vriendschap eruit?

Neem bijvoorbeeld de twee mannen die in Over de bergen (1990) vol goede moed vertrekken naar een Portugees dorp. Ze komen er gaandeweg achter dat niet alle Portugezen zo aardig zijn; er zitten ook leugenaars en afpersers tussen. Ook in Dubbelster (1993) en De klopgeest (2001) rijpt langzaam het pijnlijke besef dat een mens er, als het erop aankomt, alleen voor staat, omdat ‘niets is wat het lijkt’ en niemand helemaal te vertrouwen is. En ook in Hercules (2004) blijkt de gewone sterveling het leven op eigen kracht niet goed aan te kunnen. Een mens is, als we Komrij mogen geloven, aangewezen op literaire hulpmiddelen. ‘De list is om het verval rijping te noemen, de zwerver held, de ruïne schoonheid, de eeuwige achteruitgang en alles wat mislukt geschiedenis.’

En zo sluipt de dubbelzinnigheid, die aan de ene kant wordt bestreden, er aan de andere kant weer in. Het roept de vraag op wat je precies hebt aan de romanfiguren van Komrij, of aan de romans zelf. Vernuftige, amusante constructies, waarmee je alle kanten op kunt, of toch verhalen met een kop en staart en een bepaalde strekking?

Hoe zit dat met De loopjongen, de nieuwe roman van Komrij? Het begint ermee dat het hoofdpersoon Arend Wiebenga wel wat lijkt om schrijver te worden. Hij heeft daar, als eenzelvige puber, ook zo zijn gedachten over. Hij zou andere boeken willen schrijven dan gebruikelijk, ‘zonder boodschap’, waarin de zinnen ‘koning zijn’. Die zinnen zouden hem dan sturen ‘naar verre landen waar van alles kan gebeuren’. En hij voegt er nog aan toe dat schrijven vooral mooi is als de lezers er ‘een poos’ mee op het verkeerde been worden gezet.

We zijn dus gewaarschuwd. Arend heeft helemaal het observerende en vorsende karakter van zijn schepper, ook al zien we hem nooit met een notitieblokje in een café zitten, of zelfs maar een dagboek bijhouden. Wel zien we hem, in de loop van het boek, verzeild raken in verre landen, waar inderdaad ‘van alles’ blijkt te kunnen gebeuren.

Het probleem met deze Arend is vooral dat hij zo’n schimmige, ongrijpbare figuur is. Hij heeft zoveel tegenstrijdige eigenschappen dat hij zo ongeveer tegen zichzelf weggestreept kan worden. Hij is goedgelovig en waanwijs. Argeloos en berekenend. Egocentrisch en altruïstisch. Onschuldig en gewetenloos. Drukdoenerig en stil. Iemand die de lachers graag op zijn hand krijgt, maar ook een bloedserieuze peinzer. Ook zijn diepste verlangens zien er tegenstrijdig uit. Hij wil niets liever dan een echte boezemvriend, alleen voor zichzelf. Maar hij wil tegelijkertijd ook de hele wereld omarmen en ‘iets doen tegen universele ellende’, zoals hij het zelf noemt.

Het aardigste deel van de roman is het middenstuk, waarin Arend als eerstejaarsstudent in Amsterdam wordt ondergedompeld in het stadsgewoel van de jaren zestig: studentenoproer, demonstraties, traangas, rookbommen, en pamfletten. ‘De week is pas halverwege’, heet het laconiek, ‘en hij heeft al dertig straatvuren gezien en vierentwintig politiecharges.’ Hij geniet van de vele protestbijeenkomsten, maar begrijpt in het begin niet goed waartegen precies actie wordt gevoerd. ‘Hij ziet geen honger. Hij ziet geen bedelaars.’ Ook zijn er geestige kroeggesprekken. ‘Als God een wetenschap is’, zegt ene Samuel tegen theologiestudent Arend, dan ‘is mijn neus een pollepel’.

Minder boeiend wordt het wanneer Arend zich aansluit bij de kameraden van een niet nader genoemde communistische partij die een eind wil maken aan het imperialisme van het grootkapitaal en het wereldproletariaat verder wil helpen. Bij die partij ontmoet hij Bob, een harde, rechtlijnige figuur, in wie hij ‘als in een flits’ de lang verbeide boezemvriend herkent. Aan de hand van Bob, als diens loopjongen dus, besluit hij zich te wijden aan ‘de goede zaak’.

Het moeizaamst is het slotdeel, waarin we Arend in kommervolle omstandigheden terugzien in de Zuid-Amerikaanse jungle, bij een duistere guerrillabeweging. In de jaren daarvoor, zo wordt en passant vermeld, sloeg hij zijn revolutionaire vleugels al uit in Albanië en China, in eendrachtige samenwerking met Bob. Daar bleken de arbeiders heel prettig op één lijn te zitten, heel anders dan in het rommelige Nederland.

Na zijn weigering om een paar ‘vijanden van de revolutie’ met een kapmes in mootjes te hakken, is Arend op een zijspoor beland. Zodat hij nu, in korte en behoorlijk saaie, humorloze zinnetjes zijn gedachten kan laten gaan over de vriendschap met Bob en over zijn politieke loopbaan. Hij heeft wel wat ‘nietige twijfels’ gehad, en ook zijn er ‘kleine ontgoochelingen’ geweest, maar over allebei mag hij tevreden zijn, meent hij. Maar wij weten wel beter. Wij zien hoe eenzaam hij is in de bloedhete jungle, verstoken van elk communicatiemiddel, in het weinig inspirerende gezelschap van een stervende mederevolutionair en veel insecten.

In een soort epiloog (‘addendum’) worden we tot slot nog even bijgepraat over het achterbakse karakter van Bob, die meer dan één opdrachtgever diende. Maar erg verrassend zijn die onthullingen dan al lang niet meer. Het lag er al van af het begin net iets te dik bovenop dat waarheid, liefde en vriendschap hier, opnieuw, geen schijn van kans zouden hebben.