Hoe de globalisering het vloerkleed onder ontwikkelingshulp wegtrekt

Nederland blijft een betrouwbare partner, zo zei staatssecretaris Knapen afgelopen september bij de presentatie van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking. Volgende maand weten we of dat waar is. Op het spel staan grootscheepse bezuinigingen op het budget voor ontwikkelingssamenwerking, waarbij het getal van 4 miljard euro circuleert, met name in PVV-kringen. Geert Wilders twitterde het drie maanden geleden nog: „Extra bezuinigen in 2012? Wordt heel erg moeilijk om daar uit te komen met VVD en CDA. Tenzij men net als PVV 4 mrd op ontwhulp wil snijden.’’

Nu heeft Knapen al fors ingeleverd. In september presenteerde hij een begroting van 4,34 miljard. Dat was 958 miljoen minder dan vorig jaar, waarvan ruim 800 miljoen afkomstig is van het verlagen van de hulp van 0,8 procent van het bruto nationaal inkomen (bni) naar 0,7 procent, plus het inleveren van extra geld voor het klimaatbeleid. De resterende ruim 100 miljoen kwam door een tegenvallende economie.

Er is dus nog maar 4,34 miljard over. Daar 4 miljard op bezuinigen, komt in wezen neer op het afschaffen van vrijwel de gehele post. Realistisch is dat niet, want er zijn langdurige verplichtingen waar niet zomaar een eind aan kan worden gemaakt.

Maar stel dat Nederland terecht wil komen op het internationale gemiddelde voor officiële ontwikkelingshulp, zoals dat door de OESO wordt bijgehouden. Dat gemiddelde bedroeg over 2010 0,32 procent van het bni – dat overigens vrijwel geheel overeenkomt met het bbp. In dat geval kan de post terug naar 2 miljard, waardoor er 2,3 miljard op kan worden bezuinigd. En dat is dan weer een derde van de vermoedelijke bezuinigingen van 7 miljard, waar het kabinet-Rutte voor 2012 mee bezig gaat.

De vraag is natuurlijk of daar draagvlak voor is. In dit verband was de opmerking die de voorzitter van de wereldhandelsorganisatie WTO, Pascal Lamy, vorige week in deze krant maakte, veelbetekenend. „Globalisering heeft de ongelijkheid tussen landen verkleind, en de ongelijkheid binnen landen vergroot.” Hij maakte, voor de goede orde, die opmerking overigens niet in het kader van een discussie over internationale hulp.

Maar toch: wat is de consequentie van de trend die Lamy constateert? Als het verschil tussen traditioneel rijke en traditioneel arme landen afneemt, zal de gevoelde noodzaak voor het geven van hulp logischerwijs eveneens verminderen. Als tegelijkertijd de verschillen binnen rijke landen toenemen, stijgt de gevoelde noodzaak om hulp in plaats van in het buitenland, in de eigen maatschappij te geven aan de mensen die het nodig hebben. En als veel ‘ontwikkelingslanden’ het economisch zo veel beter doen, maar toch stijgende binnenlandse inkomensverschillen hebben, waarom lossen zij dat zelf dan niet op nu zij er in principe veel beter toe in staat zijn?

Het geven van hulp door het Westen komt dan in wezen neer op het ontlasten van de groeiende plaatselijke hogere en middenklassen van een offer dat zij onderhand zelf eens zouden moeten brengen. Voeg daarbij het grotere belang van andere geldstromen – denk aan China – en er is gespreksstof zat. De stemming wordt er vrij goed door samengevat.

De internationale trend in ontwikkelingshulp laat de omslag overigens nog niet zien. Het gemiddelde van 0,32 procent in 2010 was, op 2005 na, het hoogste sinds 1992. Maar let op: er is ondertussen van alles ingeschoven om de percentages op te drijven, tot bijvoorbeeld militaire uitgaven aan toe. Het cijfer over 2011, dat nog niet voorhanden is, wordt interessant. De trend zal zich niet tot Nederland beperken. In eigen land neemt Wilders in de discussie een extreme positie in, maar zij wordt niet ten onrechte gevoerd.

Maarten Schinkel

    • Maarten Schinkel