Het feest kan beginnen!

De belangrijkste tip voor de onervaren carnavalsvierder: maak contact.

Lynn Berger

helmond carnavalskleding passen foto rien zilvold

De eerste keer droeg ik een geel clownspak. Het jaar daarop was ik prinses, de derde keer Pippi Langkous. Vanaf mijn tiende waren er nog maar twee mogelijkheden: een stofjas waar iedereen iets op mocht schrijven, of een veel te groot ijshockeyshirt op een afgeknipte spijkerbroek – hoe meer rafels hoe beter. Met fluoriserend oranje gespoten haar zakte ik een paar jaar lang ’s lekker door, met al die hèndjes de lucht in. Toen werd ik veertien en toen hield het op: ik zette me overal tegen af, het hardst tegen carnaval.

Den Bosch, de stad waar ik vandaan kom, is deze week weer omgedoopt tot Oeteldonk. Het station heet Oeteldonk Centroal en is uitgerust in rood, wit en geel, de kleuren van de Oeteldonkse vlag. Hoewel carnaval officieel zondag pas begint, reizen veel van mijn vrienden vandaag al vanuit Amsterdam of Utrecht naar Brabant af. Op Facebook wordt overlegd over hoe ‘we’ verkleed gaan dit jaar, de extra dagen vrij zijn al maanden geleden aangevraagd, en de houten schrootjes die de muren van Bossche kroegen tegen modder, bier en braaksel moeten beschermen, zitten stevig vast.

Hoe viert een mens carnaval? Een kind doet het vanzelf, zoals het wel meer vanzelf doet: je accepteert de wereld zoals die zich aandient, vreemde verkleedfeesten incluis. Maar daarna wordt het, voor sommige Brabanders, ineens lastig. Je bent dertien of veertien, luistert het hele jaar door naar rock of hiphop, en dan klinkt de hoempapa van die carnavalskrakers wel erg plat. Je zou graag stoer of sierlijk zijn; dat is voor een puber sowieso niet makkelijk, maar carnaval sluit beide opties categoriaal uit. Je wil voor alles een verklaring en als er iets zich moeilijk laat uitleggen, dan is het wel de potsierlijkheid van carnaval.

Ik was jarenlang een carnavalhater eersteklas. Ik reageerde op het feest als een kersverse vegetariër op een schaal leverworst. Dat je dagen later nog steeds uitslag had van de schmink en dat de confetti weken in je haar bleef zitten. Dat alles wat massaal en onnadenkend was, argwaan zou moeten wekken. Dat carnaval neerkwam op de tirannie van de meerderheid: je moest je ofwel een delirium zuipen, ofwel op wintersport. De binnenstad was een week ontoegankelijk, je vrienden waren niet voor rede vatbaar, de openbare orde was compleet verstoord.

Carnaval moet je niet willen begrijpen, je moet het gewoon doen, zeiden de vrienden die wel met gedachteloze overgave konden carnavallen. Zodra je je gaat afvragen waarom – waarom je in hemelsnaam in een apenpakje in de kou in een polonaise zou gaan staan – werkt het niet meer. Carnaval is als een betovering en betoveringen worden verbroken zodra je ze rationeel probeert te verklaren – net als met homeopathie, eigenlijk. Maar ik ben nu eenmaal van het slag voor wie een regenboog alleen maar mooier is zodra begrepen wordt hoe die ontstaat. Ik had geen idee hoe ik carnaval moest vieren.

Ironisch genoeg kwam de ommekeer toen ik Den Bosch verliet om te gaan studeren. Voor veel schrijvers die ik las was het doorgronden van carnaval geen taboe maar dagtaak. De Russische filosoof en literair criticus Mikhail Bakhtin bijvoorbeeld, die ‘het carnivaleske’ tot één van de belangrijkste instituten van de Renaissance had verheven. Ook de Canadese socioloog Erving Goffman, die zijn metaforen voor sociale interacties aan het theater had ontleend, sprak tot de verbeelding. Ook in het alledaagse leven speelden we ‘rollen’ en droegen we ‘maskers’ – zo bezien was alles eigenlijk carnaval.

Vooruit, het vergde enige verbeeldingskracht om het carnaval van historici en antropologen – een democratisch feest dat bol stond van de symboliek, waarin het afgelopen jaar werd afgesloten en een samenleving zich opmaakte om herboren het nieuwe jaar in te gaan – terug te zien in het carnaval van mijn familie en vrienden. De werkelijkheid is prozaïscher dan de academisch abstractie. Aan de andere kant, die middeleeuwers wisten ook niet allemaal waar ze precies mee bezig waren.

Toen ik achttien was, probeerde ik het voorzichtig weer een keer. Ik nam de trein terug naar Brabant, verkleedde me als filmster en speurde door grote zonnebrilglazen naar het carnaval van Brueghel en Bakhtin. Ik vond het in de automonteur die de bankier joviaal een biertje gaf, omdat hiërarchie er even niet meer toe deed, en in de optocht waarin praalwagens commentaar leverden op de gemeentepolitiek van het afgelopen jaar. Het surrealisme van Dalí verbleekte bij de Oeteldonkse taferelen: Elvis Presley zoende innig met een lopende, pratende, levende mobiele telefoon.

Bijkomend voordeel: carnaval bleek een van de weinige gelegenheden te bieden om diegenen die ik anders volledig uit het oog zou verliezen, geheel vrijblijvend tegen het lijf te lopen. Je trekt van kroeg naar kroeg, raakt je groep kwijt, haalt een biertje voor iemand, wordt per ongeluk onderdeel van het rondje van een volslagen onbekende. Nu wilde ik types als de pestkop uit groep 8 en de ex van de middelbare school helemaal niet per se tegenkomen, maar gelukkig is het tijdens carnaval doodnormaal om midden in een gesprek weg te lopen. Iedereen is dronken, het is druk, de muziek staat toch veel te hard.

Die muziek, tja, die wordt er niet mooier op. Maar de alcohol haalt het scherpe randje er wel van af. En dat je niet stoer of sierlijk kan zijn, dat vind ik inmiddels eigenlijk wel prettig: níémand is nu immers sierlijk of stoer. Wat dat betreft is carnaval inderdaad een democratisch feest, een grote gelijkmaker: we zijn allemaal even lelijk, even belachelijk. Een carnavalsfanaat zal ik nooit worden: ik heb m’n outfit niet in december al klaar liggen, sla het soms ook een jaar over. Maar carnaval heeft me geleerd dat rede en romantiek prima samen kunnen gaan: je hoeft je denken niet uit te schakelen, om mee te kunnen doen.

    • Arjen Schreuder
    • Lynn Berger