Gras

In zijn boek Hartstochtjes wijdt Kees van Kooten een hoofdstuk aan Gras Heyen en zijn beroemde uitspraak „De Koningin is een lul en de prinsesjes is ook een lul”.

Gras was wat men toen nog aanduidde met de term „een kwartaaldrinker”. Af en toe kreeg hij het op zijn heupen en dook de kroeg in, een slemppartij die enige dagen en nachten in beslag nam.

Het gebeurde wel dat hij behoefte had aan een drinkmaatje. Dan ging bij mij de telefoon om een uur of elf ’s avonds. Cafégeluiden, stemmen, rinkelende glazen. En dan na enig zuchten, de stem van Gras. „Petertje. Kom je?”

„Waar ben je dan?”, vroeg ik. „Ogenblikje, hoor.” En tegen de kroegbaas: „Beste man, hoe heet het hier ook maar weer?”

„Het Hoekje.”

„Waar is dat dan, Gras?”

Na enig heen en weer gepraat kreeg ik het adres. En dan kon onze tocht een aanvang nemen. Eerst de kroegen die tot 1 uur open waren, dan naar een 8-tot-2-zaak, vervolgens naar sociëteit De Kring.

Die sloot in die tijd pas om een uur of vier ’s ochtends. Maar nog was het niet gedaan. Op naar café Het Sterretje, en vervolgens Het Volendammertje, bij de Blauwbrug. Gras hield het langer vol dan ik, hoewel hij vijftien jaar ouder was. Meestal was ik na zo’n nacht uitgeput, maar Gras kon drie dagen en nachten doorhalen. Het kwam ook wel voor dat ik op een bar in slaap sukkelde.

Gras hechtte aan decorum. „Niet dronken doen”, corrigeerde hij soms mijn gedrag.

Dan stonden we ’s ochtends op straat, met een walm van drank, de ogen knipperend tegen het felle daglicht. Amsterdam was ontwaakt.

Er passeerde ons een man met een aktetas, die met grote stappen op weg was. Gras liep een eindje met hem mee en vroeg belangstellend en ook met licht leedvermaak: „U gaat zeker naar uw werk?”

    • Peter van Straaten