Geen mens meer

Een van de moeilijkste vragen die er is, is wat een mens tot mens maakt. Soms denk je: het is beter die vraag niet te stellen. Je krijgt definities die nooit helemaal de lading dekken, hoewel je meestal best weet wat een mens is.

Vorige week stond in deze krant een stuk van twee artsen en een psychiater, naar aanleiding van het geval van een demente vrouw die toch euthanasie had gekregen. Het drietal vond dit angstaanjagend en onwenselijk en eindigde het stuk met de waarschuwing dat we niet moeten besluiten dementen „biologisch één verdieping te laten zakken” en hen te beschouwen als „ex-mensen, die nu huisdier zijn geworden”.

In deze kwestie ging het onder meer over de mogelijkheid vast te stellen of iemand die dement is, lijdt. Voor veel dementerenden is dit geen vraag meer. Ze bestaan. Dit wordt in de moderne levensbeschouwelijkheid gezien als een zeer gewenste toestand – alleen maar bestaan en niet denken – maar het is wat anders als iemand geen andere mogelijkheid heeft. Even niet denken, even alleen maar er zijn, dat willen we. Nooit meer ergens weet van hebben, dat willen we heel beslist niet.

Sterker nog – voor menigeen, ook voor de vrouw die de omstreden euthanasie heeft gekregen, is dit vooruitzicht een reden om niet meer te willen bestaan. Haar schrikbeeld is dat van velen: je naasten niet meer herkennen, niet meer kunnen wat je kon, niet meer weten wat je wist, niet meer jezelf zijn, kortom. Bij ‘jezelf’ horen allerlei gevoelens en vermogens die je dan niet meer zult hebben.

Mensen zijn wel bang voor het verliezen van gevoelens – verliefdheid bijvoorbeeld en, eigenaardig genoeg, rouw ook. Je wilt je verdriet om het verlies niet kwijt. Het is de laatste vorm van trouw aan wie je hebt liefgehad.

We wéten dat het ook goed is als de verliefdheid over is, de rouw gesleten. Dan ben je blij als je in vrede, en misschien zelfs wel met dankbaarheid of plezier, terug kunt denken aan de gestorvene. Al is er hoe dan ook iets weg – dat deel van jezelf dat speciaal tot uitdrukking kwam bij die ene persoon. Je bent immers met iedereen net een beetje anders.

Het is niet alleen de persoon die je mist, maar ook, als het een intieme omgang betrof, de manier waarop je met diegene samen was. Dat sterft mee.

Dingen niet meer kunnen en niet meer weten, is meer dan niet meer verliefd of in de rouw zijn, maar stukken van onszelf kwijtraken – die ervaring kennen we wel. We verbinden hieraan alleen niet de gevolgtrekking dat we dan minder of geen mens meer zijn.

De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst schrijft in haar richtlijn voor het handelen van artsen bij dementie dat de maatschappelijke overtuiging lijkt te zijn dat dementie „per definitie een slechte kwaliteit van leven betekent en leidt tot onwaardig sterven”.

Dit lijkt voor veel dementen zelf dus niet zo te zijn. De buitenstaanders zijn vaak degenen die dementie zo onverdraaglijk vinden, inclusief de buitenstaander die je zelf bent zolang je niet dement bent. Je wilt niet dat jijzelf verandert in iemand die met een boterham knoeit, geen gesprek meer kan begrijpen, niet weet waar hij of zij is en met lege ogen rond schuifelt – dan liever dood.

Over een ander zeggen we dat niet zo gauw, tenzij die duidelijk lijdt onder zijn of haar toestand. Het is niet voor niets dat uitzichtloos en ondraaglijk lijden zo’n belangrijk criterium is in de euthanasiewetgeving. Als de betrokkene vrede met de situatie heeft, of er geen weet van heeft, ga je die dan beschouwen als een ‘ex-mens’?

Zo gevraagd niet, natuurlijk, maar als je almaar denkt: dit had hij of zij nooit gewild, dit zou hij of zij verschrikkelijk hebben gevonden, dan wordt het anders.

Het is niet altijd zo gemakkelijk om vast te stellen of je zelf lijdt, of dat degene lijdt die je daar zo ver en afwezig ziet zitten. Waaraan lijd je zelf – aan het gebrek aan contact, aan de onttakeling van je beeld van iemand, aan geprojecteerd lijden?

Dit zijn allemaal heel ingewikkelde problemen. Het zou hooghartig zijn om te doen of je die in een column eens even allemaal zou kunnen bespreken, maar ik denk vaak aan de Iraanse film The separation. Hierin zegt een man dat hij het land niet kan verlaten vanwege zijn oude vader.

„Hij weet niet eens meer dat jij zijn zoon bent!”, zegt zijn vrouw verontwaardigd.

„Maar ik weet dat hij mijn vader is”, zegt de man terug.

Wij buitenstaanders hebben onze geestelijke vermogens nog. We kunnen ons blindstaren op wat iemand was en nu niet meer is. We kunnen ook proberen te aanvaarden dat dit het leven is, met aftakeling aan het eind. Dit is niet fijn, maar het is geen reden tot woede of verzet. Zorgzaamheid is wellicht geschikter.