De mystieke antenne van de rock

Ook in ‘The Doors’ trekt Greil Marcus, de uitvinder van het breed uitwaaierende popessay, even interessante als obscure cultuurhistorische lijnen. Hetzelfde doet de Australische pophistoricus Craig Shuftan in ‘De Culture Club’: veel popmuziek blijkt verbonden met avant-gardistische beeldende kunst en architectuur.

Legendary singer Jim Morrison of the US rock band "The Doors" on stage. Undated picture.null DPA/AFP

Elvis gaf rockmuziek seks, Dylan gaf het genre een stel hersens – maar wat gaf Jim Morrison eigenlijk?

Om zo’n vraag te beantwoorden heb je Herr Professor Greil Marcus nodig, de muziekjournalist die al vanaf Mystery Train (1975) uitblinkt in essays over rockmuziek. Marcus schreef over Elvis, Bob Dylan, Johnny Rotten en punk, in erudiete, associatieve essays die hem een bewonderd buitenbeentje maakten in de popjournalistiek. Hij trekt lange en obscure cultuurhistorische lijnen, maar luistert ook scherp naar elke noot in een nummer, en elke stembuiging van een zanger. Nu heeft hij zijn licht laten schijnen over Jim Morrison en The Doors, in een korter boek, maar met dezelfde benadering.

In de mythevorming rondom de jaren zestig, aangejaagd door de film The Doors van Oliver Stone (1991), geldt Morrison als een moderne sjamaan, die een hal vol hippies kon opzwepen naar psychedelische extase. Met nummers als ‘Light My Fire’ (1967) en het oedipale ‘The End’ (1967), leken ze de tijdgeest klemvast te hebben. Naast een soepel lichaam en een goed stel hersens, kreeg rock ‘n’ roll er opeens een mystieke antenne bij.

Morrison, liefhebber van geestverruimende auteurs als Aldous Huxley (van The Doors of Perception, waaraan de band zijn naam ontleende), wilde met muziek doorbreken naar hogere, lagere, of in elk geval andere niveaus van bewustzijn.

Dat is in zekere zin ook het uitgangspunt voor Marcus, die schrijft dat hij, elke keer als hij de muziek van de band destijds hoorde, ‘het opwindende gevoel had dat ik uit mezelf trad’.

Dat maakt hem nog niet tot een adept van de sixties. Marcus ergert zich aan de ‘onderdrukkende’ verheerlijking van dat tijdperk, alsof er daarna ‘nooit meer iets is gebeurd’. Maar The Doors drukten wel uit wat het tijdperk zo bijzonder maakte: het collectieve gevoel dat mensen buiten zichzelf konden treden, in een culturele omwenteling waarvan niemand de afloop kende. Morrison en de zijnen produceerden een compleet nieuw geluid, ook al had het oude bronnen – en schreven daarmee ‘culturele geschiedenis’.

Marcus fileert dat geluid van The Doors op zijn gepatenteerde manier: met een vlijmscherp gehoor, maar ook zeer high brow en vol, soms wijdlopige, culturele verwijzingen. Dat gaat soms vermoeien, ook al omdat Marcus geobsedeerd is door details en wel heel sterk gericht is op de Amerikaanse cultuur (en minder op de universele zeggingskracht van popmuziek). Maar die benadering levert ook verrassende vondsten op, zoals zijn analyse van een concert (te vinden op Youtube) waarin Morrison de tekst van ‘Roadhouse Blues’ loslaat om aanstekelijk te improviseren met rap en gegrom. Gelukkig ontbreekt een verwijzing naar zijn optreden met Jimi Hendrix, toen Morrison stomdronken op het podium sprong om het publiek aan te sporen tot anale seks. De sjamaan had ook zijn mindere momenten.

Niet iedereen was dan ook gecharmeerd van Morrison. De New Yorkse rocker Lou Reed – ook een liefhebber van poëzie – gruwde van het zonovergoten, hedonistische geluid van The Doors. Hij stoorde zich ook hevig aan de film van Stone, waarin de Californiërs als gebronsde Adams werden afgezet tegen de snobs (en homo’s) van de New Yorkse scene. De Rotterdamse jazzfanaat Jules Deelder vond Morrison een ‘psychedelische paardenlul’.

Er zit iets in die afkeer. The Doors zijn inderdaad een rockgroep die je sneller ontgroeit dan andere, omdat romantische psychedelica – als het goed is – niet lang meegaat na het achttiende levensjaar. Maar bijzonder waren ze. Van de zes elpees die ze maakten (1967-1971), zijn enkele klassiek geworden, zeker de laatste, het desperate LA Woman.

Na een geruchtmakend concert in Miami waar Morrison werd aangehouden wegens exhibitionisme, ondergingen The Doors een laatste gedaantewisseling, hun mooiste. Ze werden een bluesband, en maakten LA Woman met een bebaarde Morrison, die nu whisky dronk en gromde, bromde en zong of zijn leven ervan af hing – wat ook zo was. Kort daarop overleed hij (27) in een Parijse badkuip.

Eigenlijk begon het grote succes van de band pas daarna. De resterende drie leden van The Doors grossierden in de volgende decennia in cd’s, cd-boxen, en gingen ook weer regelmatig op tournee. Zonder Morrison optreden waren ze toch al gewend, sinds hun optreden in het Amsterdamse Concertgebouw (1968), toen ‘Jimbo’ in de kleedkamer onderuit ging door drank en dope, en de praatgrage toetsenist Ray Manzarek de zang voor zijn rekening moest nemen – een morbide voorschotje op de toekomst.

Marcus gaat niet in op die lange Nachwuchs van Morrrison – die misschien wel zijn echte Wuchs is. Tegen de mode in neemt hij het op voor Oliver Stones film, maar daarmee houdt het op.

Jammer, want juist die postume iconografie van Morrison zou een kolfje naar Marcus’ hand zijn.

Greil Marcus:The Doors. A Lifetime of Listening to Five Mean Years. Faber en Faber, 210 blz. € 21,-

    • Sjoerd de Jong