De lezer staat schaakmat

Kogel voor kogel beschrijft Tim Krabbé het bloedbad van Columbine, maar waarom? Wat moet de meester van de korte roman met de meest besproken schietpartij uit de recente geschiedenis? Ons verbluffen, zo blijkt.

** FILE ** This combination of file photos released by Columbine High school shows 1998 yearbook photos of students Eric Harris, left, and Dylan Klebold, who killed 12 students and a teacher before taking their own lives in what remains the deadliest school attack in U.S. history. Hundreds of pages of hate-filled diary entries, maps and documents released Thursday, July 6, 2006, offer a chilling insight into the minds of the killers in the days and months before the massacre. (AP Photo/Columbine High School) **NO SALES** AP

Tim Krabbé: Wij zijn maar wij zijn niet geschift. De schietpartij van Columbine. Prometheus, 416 blz. €19,95

‘Ik besloot eens iets over Columbine op te zoeken.’ Met dat zinnetje markeert Tim Krabbé het moment in 2007 waarop hij werkelijk geïnteresseerd raakte in het bloedbad op Columbine High School in Littleton bij Denver. Daar was hij laat mee. Columbine geldt als de moeder aller school shootings – al was het niet de eerste, en is het niet meer de dodelijkste. De schietpartij is het onveranderde referentiepunt voor moordende jonge mannen: of het nu in de Verenigde Staten is, in Finland, Duitsland of in Alphen aan den Rijn – vrijwel altijd verwijzen de massa-schutters naar Eric Harris en Dylan Klebold.

Rondom Columbine is een wolk van halve waarheden ontstaan, zoals de anekdote dat Eric en Dylan de ochtend voor de schietpartij zouden zijn gaan bowlen; Michael Moore ontleende er de titel van zijn Oscarwinnende documentaire aan, hoewel hij wist dat het niet waar was. Ook was er het verhaal dat de jongens een meisje hadden gevraagd of zij in God geloofde: zij zei ja – en werd doodgeschoten. Of de bewering dat ze het vooral gemunt hadden op populaire en sportieve medescholieren, dat de moordpartij werd aangekondigd door de spreuk van de dag op de school tv (‘Vandaag is een slechte dag om op school te zijn’), dat Eric en Dylan geen vrienden hadden en dat hun actie het gevolg was van jarenlang pesten. Het is allemaal niet waar, of het is slechts een factor in het geheel dat door deze of gene is uitvergroot.

Zo heerst er een constante cyclus van mythologisering, ontmythologisering en remythologisering. Veel ervan is al rechtgezet, tot in het Wikipedia-lemma over Columbine. Los van de tientallen boeken en films die aan het bloedbad zijn gewijd, zijn er talloze sites. Je kunt er de documenten met tienduizenden bladzijden tegelijk downloaden: getuigenverklaringen, het politiedossier, dagboeken van Eric en Dylan.

Wat moet een Nederlandse romanschrijver daar dan nog aan toevoegen?

Tim Krabbé zegt er weinig over in zijn inleiding: schrijvers schrijven nu eenmaal over wat ze bezighoudt en hij had het idee dat het hele verhaal toch niet verteld was. Dat zou kunnen, al hadden al die voorgangers dat idee natuurlijk óók – en toch lijken veel van hun boeken sprekend op elkaar. Terloops schrijft Krabbé over het feit dat Eric en Dylan geen eenzame schutters waren, maar hun misdaad samen begingen: ‘Dan moest er een gedachtegang zijn geweest die ze allebei voor zinnig hielden.’

Hoe dan ook: nu ligt er Wij zijn maar wij zijn niet geschift, met 420 bladzijden veruit het dikste boek van Krabbé, toch vooral de meester van de korte, strakke en spannende roman. En zit je als lezer bij voorbaat met twee vragen: wat meende Krabbé toe te kunnen voegen aan de Columbine-bibliotheek – de boeken, niet de ruimte in de school waar de meeste doden vielen – en waarom vond hij dit literair interessant?

Het boek (de titel komt uit een van de Basement Tapes die Eric en Dylan in de weken voor het bloedbad opnamen, ‘We are but we aren’t psycho’) begint met een reconstructie van de schietpartij, haast kogel voor kogel. In 21 pagina’s beschrijft Krabbé de aankomst van de jongens bij school, hoe ze bommen plaatsten in de kantine en vergeefs wachtten op een explosie, hoe ze schietend en zelfgemaakte explosieven gooiend door de school renden, dertien mensen vermoordden en uiteindelijk na drie kwartier zichzelf doodschoten in de bibliotheek.

Het is in zijn feitelijkheid huiveringwekkend proza: van het ‘Kiekeboe’ waarmee een onder een bibliotheektafel verstopt meisje wordt begroet (waarna ze wordt doodgeschoten) tot de geëxalteerde uitroepen van de jongens: ‘Wohoo, moet je eens kijken naar die hersenen! En dat bloed!’

Daarop volgen nog eens veertig pagina’s waarin Krabbé dat feitenrelaas toelicht: hoe getuigen elkaar tegenspreken, wat hij gelooft en wat niet – en waarom. Daar wordt duidelijk dat hij de gebeurtenissen wil ontdoen van ideologie, franje en wishful thinking. Typerend is wat hij schrijft over de ontmoeting, kort vóór de schietpartij, tussen Eric – met een tas vol bommen en wapens – en een vriend van hem. Nu ja, vriend: Eric en deze Brooks Brown waren vrienden geweest en daarna jarenlang vijanden, de politie was eraan te pas gekomen. Eric zei: ‘Brooks, ik vind je nu weer aardig. Smeer ’m. Ga naar huis.’

In die waarschuwing is van alles gelezen: van het welbewust sparen van een uitverkorene tot mogelijke medeplichtigheid. Krabbé redeneert ijskoud: Eric, die daar stond met al zijn wapens en een tijdbom in zijn tas, was vooral bang dat hij nog langer zou worden opgehouden en zei het eerste dat hem inviel, alleen maar om van Brooks verlost te worden. Dat klinkt plausibel en zo gaat het het hele boek door: steeds laat Krabbé zijn gezond verstand los op de getuigenissen en kiest wat hem de redelijkste versie lijkt. Het is een basislesje geschiedschrijving – en journalistiek.

Dan volgt het merkwaardigste en langste deel van het boek. Krabbé beschrijft de aanloop tot en de voorbereidingen voor de schietpartij, vooral op basis van het politiedossier en de dagboeken die Eric en Dylan bijhielden. Zo ontstaat een portret van de jongens, die al enige jaren vrienden waren maar zich definitief aan elkaar vastklonken nadat zij een taakstrafprogramma hadden opgelegd gekregen (een zogenaamde Diversion) wegens het inbreken in een auto; ruim een jaar voor 20 april 1999.

Eric Harris, zoon van een militair en net achttien bij de schietpartij, is de hardste en de meest gestructureerde van de twee – hij zou ook de meeste moorden plegen. Hij fantaseert eindeloos over geweld, wapens en ‘natuurlijke selectie’, werkt maanden aan het bouwen van nieuwe levels voor het computerspel Doom (waarbij monsters en andere figuren moeten worden gedood), maar haalt ook uitstekende schoolresultaten. Heel precies houdt hij in de voorbereidingsmaanden zijn bommenboekhouding bij: tot hij meer dan zestig zelfgemaakte explosieven heeft, steeds keurig met een vermelding van de kwaliteit.

Dylan Klebold is een half jaar jonger en oogt veel flegmatieker en depressiever: hij schrijft de ene na de andere onbegrijpelijke tekst in zijn dagboek, Krabbé gaat er zelfs het woord Dylanesk voor gebruiken. Het gaat vaak zo: ‘Deze kamer is klote. Wil dood. Alles gaat zoals het minst verwacht, de zwakken worden vertrapt, de klootzakken zegevieren, de goden belazeren de boel, verloren in mijn kleine gekkenhuis […] wil dood & vrij zijn met mijn liefde – als ze al bestaat.’

Het is geëxalteerd puberleed dat vooral in retrospectief beangstigend is. Dylan vindt gewone mensen ‘zombies’, maar constateert met afgrijzen dat hij aldoor hun wereld wordt ingetrokken. Hij speculeert veel over zelfmoord en presteert matig op school.

Vanaf een jaar voor de schietpartij duikt het plan op in hun beider teksten, soms vermomd als ‘to go NBK’ in een verwijzing naar de film Natural Born Killers van Oliver Stone. Dan volgen ook schietoefeningen en de aanschaf van wapens. Ze zetten een groot kruis door mei 1999 in hun schoolagenda – dan zouden ze er toch niet meer zijn.

Sympathie is een groot woord, maar door al die details gaan Eric en Dylan voor je leven: het worden individuen met tegenstrijdigheden en ook aardige kanten – zo beschrijft Krabbé hoe Eric op zijn to-do-list voor de laatste weken voor de aanslag ook ‘neuken’ had staan en hoe hij in zijn laatste weekend nog een meisje op zijn kamer heeft en een voorzichtige arm om haar heen slaat. Haar pieper gaat, ze moet naar huis.

Tegelijkertijd ga je je in het middendeel van het boek afvragen of het fanatisme van Eric en Dylan niet een beetje is overgeslagen op het boekhoudkundig verlangen van Tim Krabbé. Het middendeel van het boek is lang en soms langdradig, waarna Krabbé ook nog een groot deel van de Columbine-literatuur bespreekt. Daarin oordeelt hij streng over de vrijheden die Michael Moore en Gus van Sant namen in hun films over Columbine (respectievelijk Bowling for Columbine en Elephant), maar ook over ouders van slachtoffers en anderen die welbewust de waarheid verdraaiden. Krabbé overtuigt, maar als lezer krijg je sterk het idee dat dit boek aan het doodbloeden is. Krijgen we werkelijk niets méér dan een redelijke reconstructie?

Toch wel. De beloning voor de moeite zit in de laatste dertig pagina’s en die beloning is groots. Om dat goed te zien moet je eerst kijken naar iets wat Tim Krabbé vier jaar geleden in deze krant vertelde over hoe hij te werk gaat bij het schrijven van een roman. Eerst maakt hij bliksemsnel een ruwe opzet van de plot, dan gaat hij schaven. Dat schaven bestaat er vooral uit dat hij de doodlopende paden uit de vertelling haalt. Alles moet zo in elkaar zitten dat het onmogelijk is dat het verhaal zich op een andere manier ontrolt dan het doet. Niets mag toeval zijn.

In die werkwijze herken je de schaker, die Tim Krabbé immers ook is. Een schaker maakt een aanvalsplan voor een partij en denkt dat plan tot de uiterste consequentie door, met alle mogelijke tegenzetten en alle mogelijke weerleggingen en varianten – tot er niets meer aan te doen is. Zo wil Krabbé dat zijn romans zijn, als een ideale schaakpartij: een geheel dat zo logisch in elkaar zit dat andere varianten uitgesloten zijn. Dat maakt zijn beste boeken zo spannend.

Wij zijn maar wij zijn niet geschift is een schaakpartij over een schietpartij. Het eerste deel is de opening (bekende, veel gespeelde zetten), waarop het middenspel volgt (de dagboekdelen, de meeste schakers verliezen ook het overzicht in het middenspel) en het eindspel. Dat bevat idealiter de beslissende aanval – en zeker in dit geval. De manier waarop Krabbé in het slothoofdstuk van het boek met zijn stukken schuift is verbluffend. In dertig pagina’s leidt hij je naar de onontkoombare conclusie van zijn betoog. Dan is hij niet meer de wikkende en wegende journalist of historicus, maar de schrijver die met zijn verbeelding tot een nieuwe interpretatie komt. De sceptische lezer staat schaakmat, want alle mogelijke tegenwerpingen blijken in het voorgaande onschadelijk gemaakt te zijn. Je kunt Krabbé alleen nog gelijk geven.

In dat slothoofdstuk blijkt dat Krabbés terloopse opmerking over het feit dat er twee schutters waren, van begin tot eind leidend was. Hij laat zien hoe precies de combinatie van de persoonlijkheden van Eric en Dylan tot de schietpartij leidde. Dan toont hij hoe de verhouding tussen Eric en Dylan ook nog veranderde en meen je daadwerkelijk te begrijpen hoe het allemaal ontstaan moet zijn.

Het zou flauw zijn om hier de details uit de doeken te doen, maar de overtuigingskracht van Krabbés argument is enorm. Vooral omdat hij steeds teruggrijpt op al die feiten en dagboekteksten die hij daarvoor zo uitgebreid heeft geciteerd.

Zo eindig je dit uitzonderlijke boek niet alleen met onverwacht inzicht in Columbine, maar ook nog met een echte Tim Krabbé. Wat een Fremdkörper in het oeuvre leek, is in feite een soort oerboek. Niet alleen gaat het bij Krabbé altijd om de verhouding tussen wat iemand bedenkt en wat er vervolgens gebeurt. In Wij zijn maar wij zijn niet geschift laat hij bovendien zien hoe zijn werk tot stand komt: met de lange redenaties die normaal verborgen blijven, maar die ertoe dienen om uiteindelijk de verbeelding vrij baan te geven.

    • Arjen Fortuin