De lezer staat schaakmat

Ook Tim Krabbé schrijft nu over het bloedbad ‘Columbine’. Hij komt tot een groots slothoofdstuk.

Boekrecensent

‘Ik besloot eens iets over Columbine op te zoeken.’ Met dat zinnetje markeert Tim Krabbé het moment in 2007 waarop hij geïnteresseerd raakte in het bloedbad op Columbine High School in Littleton bij Denver. Daar was hij laat mee. Columbine geldt als de moeder aller school shootings – al was het niet de eerste en is het niet meer de dodelijkste. De schietpartij is het onveranderde referentiepunt voor moordende jonge mannen: of het nu in de VS is, in Finland, Duitsland of in Alphen aan den Rijn – vrijwel altijd verwijzen de massa-schutters naar Eric Harris en Dylan Klebold.

Wat moet een Nederlandse romanschrijver nog toevoegen aan alle boeken en documentaires die erover verschenen zijn? Krabbé zegt er opmerkelijk weinig over in zijn inleiding: schrijvers schrijven nu eenmaal over wat ze bezighoudt en hij had het idee dat het hele verhaal toch niet verteld was. Dat zou kunnen, al hadden al die voorgangers dat idee natuurlijk ook – en toch lijken veel van hun boeken sprekend op elkaar. Terloops schrijft Krabbé nog iets over het feit dat Eric en Dylan geen eenzame schutters waren, maar hun misdaad samen begingen: ‘Dan moest er een gedachtegang zijn geweest die ze allebei voor zinnig hielden.’ Hoe dan ook: nu ligt er Wij zijn maar wij zijn niet geschift, met 420 bladzijden veruit het omvangrijkste boek van Krabbé. En zit je als lezer bij voorbaat met twee vragen: wat meende Krabbé toe te kunnen voegen aan de Columbine-boeken en waarom vond hij dit literair interessant?

Wij zijn maar wij zijn niet geschift begint met een reconstructie van de schietpartij, haast kogel voor kogel. In 21 pagina’s beschrijft Krabbé de aankomst van de jongens bij school, hoe ze bommen plaatsten in de kantine en ze vergeefs wachtten op een explosie, hoe ze schietend en zelfgemaakte bommen gooiend door de school gingen, dertien mensen vermoordden en uiteindelijk na drie kwartier zichzelf doodschoten in de bibliotheek. Het is in zijn feitelijkheid huiveringwekkend proza: van het ‘Kiekeboe’ waarmee een onder een bibliotheektafel verstopt meisje wordt begroet (waarna ze wordt doodgeschoten) tot de geëxalteerde uitroepen van de jongens: ‘Wohoo, moet je eens kijken naar die hersenen! En dat bloed!’

Daarop volgen nog eens veertig pagina’s waarin Krabbé dat feitenrelaas toelicht: hoe getuigen elkaar tegenspreken, wat hij gelooft en wat niet – en waarom. Daar wordt duidelijk dat hij de gebeurtenissen wil ontdoen van ideologie, franje en wishful thinking. Typerend is wat hij schrijft over de ontmoeting, kort vóór de schietpartij, tussen Eric – met een tas vol bommen en wapens – en een vriend van hem. Nu ja, vriend: Eric en deze Brooks Brown waren vrienden geweest en daarna jarenlang vijanden, de politie was eraan te pas gekomen. Eric zei: ‘Brooks, ik vind je nu weer aardig. Smeer ’m. Ga naar huis.’

In die waarschuwing is van alles gelezen: van het welbewust sparen van een uitverkorene tot mogelijke medeplichtigheid. Krabbé redeneert ijskoud: Eric, die daar stond met al zijn wapens en een tijdbom in zijn tas, was vooral bang dat hij nog langer zou worden opgehouden en zei het eerste dat hem inviel, alleen maar om van Brooks verlost te worden. Dat klinkt plausibel en zo gaat het het hele boek door: steeds laat Krabbé zijn gezond verstand los op de getuigenissen en kiest wat hem de redelijkste versie lijkt. Het is een basislesje geschiedschrijving; of journalistiek.

Dan volgt het merkwaardigste en langste deel van het boek. Krabbé beschrijft de aanloop tot en de voorbereidingen voor de schietpartij, vooral op basis van het politiedossier en de dagboeken die Eric en Dylan bijhielden. Zo ontstaat er een portret van de jongens, die al enige jaren vrienden waren, maar zich definitief aan elkaar vastklonken nadat zij een taakstrafprogramma opgelegd gekregen hadden wegens inbreken in een auto, ruim een jaar voor de schietpartij.

Eric Harris, zoon van een militair en net achttien bij de schietpartij, is de hardste en de meest gestructureerde van de twee – hij zou ook de meeste moorden plegen. Hij fantaseert eindeloos over geweld, wapens en ‘natuurlijke selectie’, werkt maanden aan het bouwen van nieuwe levels voor het computerspel Doom (waarbij monsters en andere figuren moeten worden gedood), maar haalt ook uitstekende schoolresultaten. Heel precies houdt hij in de voorbereidingsmaanden zijn bommenboekhouding bij: tot hij meer dan zestig zelfgemaakte explosieven heeft, steeds keurig met een vermelding van de kwaliteit.

Dylan Klebold is een half jaar jonger en oogt veel flegmatieker en depressiever: hij schrijft de ene na de andere warrige onbegrijpelijke tekst in zijn dagboek, op een gegeven moment gaat Krabbé er zelfs het woord Dylanesk voor gebruiken. Het geëxalteerde puberleed gaat vaak zo: ‘Deze kamer is klote. Wil dood. Alles gaat zoals het minst verwacht, de zwakken worden vertrapt, de klootzakken zegevieren, de goden belazeren de boel, verloren in mijn kleine gekkenhuis […] wil dood & vrij zijn met mijn liefde – als ze al bestaat.’

Vanaf een jaar voor de schietpartij duikt het plan voor het bloedbad op in hun beider teksten, soms vermomd als ‘to go NBK’ in een verwijzing naar de film Natural Born Killers van Oliver Stone. Dan volgen ook schietoefeningen en de aanschaf van wapens. Ze zetten een groot kruis door mei 1999 in hun schoolagenda – dan zouden ze er toch niet meer zijn.

Sympathie is een groot woord, maar door al die details gaan Eric en Dylan voor je leven: het worden individuen met tegenstrijdigheden en ook aardige kanten – zo beschrijft Krabbé hoe Eric op zijn to-do-list voor de laatste weken voor de aanslag ook ‘neuken’ had staan en hoe hij in zijn laatste weekend zelfs nog een meisje op zijn kamer heeft en een voorzichtige arm om haar heen slaat. Haar pieper gaat, ze moet naar huis.

Tegelijkertijd ga je je in het middendeel van het boek afvragen of het fanatisme van Eric en Dylan niet een beetje is overgeslagen op het boekhoudkundig verlangen van Tim Krabbé. Het middendeel van het boek is lang en soms langdradig, waarna Krabbé ook nog een groot deel van de Columbine-literatuur bespreekt. Daarin oordeelt hij streng over de vrijheden die Michael Moore en Gus van Sant namen in hun films over Columbine, maar ook over ouders van slachtoffers en anderen die welbewust de waarheid verdraaiden. Krabbé overtuigt, maar als lezer krijg je wel sterk het idee dat dit boek aan het doodbloeden is. Krijgen we werkelijk niets méér dan een redelijke reconstructie?

Toch wel. De beloning voor de moeite zit in de laatste dertig pagina’s en die beloning is groots. Om dat goed te zien moet je eerst kijken naar iets wat Tim Krabbé vier jaar geleden vertelde over hoe hij te werk gaat bij het schrijven van een roman. Eerst maakt hij bliksemsnel een ruwe opzet van de plot en dan gaat hij schaven. Dat schaven bestaat er vooral uit dat hij alle doodlopende paden uit de vertelling haalt. Alles moet zo in elkaar zitten dat het onmogelijk is dat het verhaal zich op een andere manier ontrolt dan het doet. Niets mag toeval zijn.

In die werkwijze herken je de schaker, die Tim Krabbé immers ook is. Een schaker maakt een aanvalsplan voor een partij en denkt dat plan zo ver door, met alle mogelijke tegenzetten en alle mogelijke weerleggingen en varianten – tot er niets meer aan te doen is. Zo wil Krabbé zijn romans eruit laten zien als een ideale schaakpartij: een geheel dat zo logisch in elkaar zit dat andere varianten uitgesloten zijn. Dat maakt zijn beste boeken ook zo spannend.

Wij zijn maar wij zijn niet geschift (een uitspraak uit een van de homevideo’s van de twee, ‘We are but we aren’t psycho’) is een schaakpartij over een schietpartij. Het eerste deel is de opening (bekende, veel gespeelde zetten), waarop het middenspel volgt (de dagboekdelen, de meeste schakers verliezen ook het overzicht in het middenspel) en het eindspel. Dat bevat idealiter de beslissende aanval – en zeker in dit geval. De manier waarop Krabbé in het slothoofdstuk van het boek met zijn stukken schuift is verbluffend. In dertig pagina’s leidt hij je naar de onontkoombare conclusie van zijn betoog. Dan is hij niet meer de wikkende en wegende journalist of historicus, maar de schrijver die met zijn verbeelding tot een nieuwe interpretatie komt. De sceptische lezer staat schaakmat, want alle mogelijke tegenwerpingen blijken in het voorgaande onschadelijk gemaakt te zijn. Je kunt Krabbé alleen nog maar gelijk geven.

Zo eindig je dit uitzonderlijke boek niet alleen met onverwacht inzicht in Columbine, maar ook nog met een echte Tim Krabbé. Wat een Fremdkörper in het oeuvre leek, is in feite een soort oerboek: een boek waarin de schrijver laat zien hoe zijn werk tot stand komt, met de lange redenaties die normaal verborgen blijven, maar die ertoe dienen om uiteindelijk de verbeelding vrij baan te geven.

Tim Krabbé: Wij zijn maar wij zijn niet geschift. De schietpartij van Columbine. Prometheus, 416 blz. €19,95