De flexmens heeft nooit geleerd samen te werken

Het nieuwe boek van Richard Sennett gaat over het menselijk vermogen om samen te leven en samen te werken. Dat laatste is inmiddels gereduceerd van menselijke interactie tot transactie. Sennett pleit voor beleefdheid, hij ziet de werkplaats als de ideale samenleving, en hij raadt aan niet te zeggen wat je denkt. Hoe actueel is deze socioloog?

Volunteers shovel away snow from the frozen Holkenmeer or Holken lake in Gallemadammen, Netherlands, Tuesday Feb. 7, 2012. Volunteers poured onto frozen rivers and lakes in the northern Netherlands on Tuesday to shovel away snow that is one of the major hurdles in the way of a grueling speedskating race called Elfstedentocht, or 11 Cities Tour being held for the first time in 15 years. (AP Photo/Vincent Jannink) AP

Richard Sennett: Together. The Rituals, Pleasures and Politics of Cooperation. Allan Lane, 324 blz. € 29,80

Eendrachtig werden de sloten schoongeveegd. De rayonhoofden die de koorts hadden opgewekt hielden de gelederen voorbeeldig gesloten; ze lieten zich niet gek maken door de nationale hysterie. Schaatsers raapten elkaar op, buren kletsten bij op het ijs. In Amsterdam vond een ice-rave plaats. Jongeren hadden hun eigen vorm van ijspret door de hele middag al drinkend op het ijs naar snoeiharde muziek te luisteren. Praten was niet mogelijk, kennelijk ook niet nodig. Hendrick Averkamp, anno 2012.

Excuses voor het weer in herinnering brengen van de gekte van een week geleden, maar het is jammer dat socioloog Richard Sennett de Hollandse ijskoorts niet meer heeft kunnen verwerken in zijn boek Together, The Rituals, Pleasures and Politics of Cooperation. Zou hij het een teken van hoop vinden, dat hoog geïndividualiseerde eenentwintigste-eeuwers alles opzij zetten voor een gezamenlijk ritueel?

Het boek gaat over het menselijk vermogen om samen te leven en samen te werken. Dat ook iemand die het gelezen heeft, geen idee heeft hoe de schaatskoorts in dit opzicht moet worden geclassificeerd, is veelzeggend, want vastomlijnd is Together bepaald niet. Sennetts stelling is dat werkelijk samenleven met anderen vaardigheden vereist die je moet leren. Hij brengt zaken ter sprake als echt kunnen luisteren, het dragen van een ‘sociaal masker van wellevendheid’, de wil om tijd door te brengen met anderen en het vermogen je in hen te verplaatsen. Al dit soort zaken bloeien en bloeiden volgens Sennett in de ambachtelijke werkplaats, voor hem een ideaal: een klein aantal mensen, volkomen op elkaar afgestemd, maakt in toewijding iets moois of ingewikkelds.

Sennett vindt dat de fragmenterende krachten van het ontketende kapitalisme ons afleren goed en langdurig met anderen samen te leven. Menselijke interactie is enkel nog transactie, werknemers zijn alleen nog contractanten. Ziedaar de wortels van sociale onvrede, ressentiment en hufterigheid: de flexmens kan niet delen, niets opbouwen. Hij is op drift, passief, alleen bezorgd om zijn eigen hachje. Hij lijdt aan corrosie van karakter, om met een eerder boek van Sennett te spreken.

Together is daarmee een nieuwe variatie op hét thema van Richard Sennett, die aan de hand van de werkende mens steeds de temperatuur opneemt van de samenleving als geheel. Het boek is deel twee van wat een trilogie moet worden over homo faber, de makende mens. Het eerste deel, The Craftsman (2008), draaide om de kenmerken van vakwerk – toewijding, diep ingeslepen vaardigheden – die ook waardevol zijn voor burgerschap. Together is minder concreet: het probeert steeds zowel samenwerken als samenleven te behandelen, zowel splijtende als samenbindende maatschappelijke krachten te benoemen.

Sennett begint in 1900, met een geschiedenis van het solidariteitsbegrip in de linkse beweging, schakelt dan achteloos terug naar de Reformatie, en meandert onbekommerd verder langs de socialisatie van peuters, fabrieksleven in Boston en de mores van Wall Street naar de oorsprong van de kibboets. Onderweg verstouwen we veel informatie, eruditie, historie.

Typisch Sennett is bijvoorbeeld het ophangen van een complexe maatschappelijke transformatie aan één schilderij, in dit geval ‘De ambassadeurs’ van Hans Holbein de jongere uit 1533. De verandering van rituelen in de kerk, het ontstaan van werkplaatsen, de overgang van ruraal naar pre-industrieel, van ridderlijke naar diplomatieke deugd en taal: de Reformatie was ‘The Great Unsettling’ die mensen dwong op een andere manier met elkaar om te gaan.

Sennett schrijft dit alles ‘dialogisch’ op, licht hij toe. Daarmee bedoelt hij dat hij niet te stellig wil zijn, om de gedachtenvorming samen met de lezer tot stand te brengen. Heel gelukkig pakt dat niet uit, want Sennett danst telkens in cirkels om zijn thema’s heen en bijt zich tot slot in de staart. Het model van de ideale samenleving is de werkplaats, want daar worden de meeste ideaalbeelden aan ontleend. We lezen dus veel over harmonieuze woordloze repetities van strijkkwartetten, maar niks over, zeg, splijtende acteursruzies bij toneelrepetities. We krijgen veel voorbeelden uit Sennetts leven van opgeklommen, begaafde onderzoeker en cellist – achterbuurten in Chicago, het cellomilieu, computerprogramma’s – maar niks over bijvoorbeeld chirurgen, reddingswerkers of roeiteams.

Maar hebben we ondanks deze beperkingen iets aan Sennetts meditaties over dit ideaal? Dat zou wel moeten, want per slot van rekening is Together een perfect getimed boek. Crisis in het kapitalisme, crisis in de democratie – het maakt dat veel filosofen, sociologen, politicologen en zelfs biologen de laatste jaren schrijven over wat ons bindt. In de politiek is samenwerking momenteel links en rechts de toverspreuk: of het nu gaat om Marja van Bijsterveldt die de zich terugtrekkende overheid compenseert met de oproep aan ouders zelf meer te doen, of om linkse politici die blij worden van buurtfeesten in krachtwijken of het met de hele straat aanschaffen van zonnepanelen. Scherp laat Sennett zien dat beide aannames platitudes zijn. Zelfredzaamheid noch collectiviteit laten zich afdwingen. Samen iets tot stand brengen vereist gedeelde ervaring, tijd, volharding, ritueel en vertrouwen. En: het kost geld.

Hoe moet dat als er nieuwkomers zijn, of andere culturen? Sennett pleit vooral voor beleefdheid, civility. Rellen tussen Koreanen en Afro-Amerikanen in Manhattan in de jaren zestig werden opgelost doordat men vooral bekeek hoe de schade te verhalen, en niet inging op de onderliggende haat. Op de Koreanen volgden de Latino’s. Het racistische denken is niet afgenomen, maar iedereen heeft elkaar economisch nodig, en heeft daarom geleerd gewoon met elkaar om te gaan. Níet zeggen wat je denkt is dus belangrijk.

Elders staat in Together een mooi stuk over coalities, en de vorming van politieke elites. Partijelites kruipen naar elkaar toe en die horizontale laag scheurt de verticale binding tussen partijtoppen en -bases, met ressentiment bij de buitengesloten massa tot gevolg. En dan krijg je tribalisme: intensieve samenwerking, maar alleen tussen volstrekt gelijkgestemden, in combinatie met agressie jegens andersdenkenden.

De Verenigde Staten zijn volgens Sennett zo’n tribal society, als je afgaat op talk radio. Zelfs Nederland, ‘ooit zo inclusief, heeft nu zijn versie van talk radio, waar alleen het noemen van het woord moslim al een Wagneriaans offensief van klachten teweeg brengt.’ Voor het PVV-meldpunt tegen Oost-Europeanen was dit boek te vroeg klaar.

Die gedachte dringt zich wel vaker op. Dat Sennett dit boek al jaren geleden af had. Er is immers veel voor te zeggen dat we opnieuw een ‘Great Unsettling’ doormaken, waarin de ons bekende structuren afbrokkelen, maar waarin ook nieuwe vormen van samenwerking ontstaan. Nog wel Facebook in dit boek, maar geen samen koffiedrinkende zzp-ers, geen funcultuur, geen voetbal of andere kenmerken van hedendaagse verbroedering, laat staan iets over de maandenlange protesten op pleinen overal ter wereld en de roep van burgers om verandering. Ook niks over pioniers van allerlei snit die zich groepsgewijs willen losmaken uit de economie. Indignados in Spanje, Transition Towns in Groot Brittannië, de Berkshires in de VS met hun eigen munt, de Berkshare.

Sennett erkent dat westerse staten in de toekomst een hoge productiviteit met een fikse werkeloosheid zullen combineren. De kloof tussen arm en rijk zal groeien. Moet daar in een boek over het maatschappelijk weefsel niet méér tegenover staan dan een fraaie bespiegeling over de woordloze communicatie tijdens een muziekrepetitie?

Ergens in Together zit een krachtig pleidooi verstopt tegen de reductie van de mens tot homo economicus, en voor maatschappelijk zelfvertrouwen dat ruimte laat aan informele structuren en contact tussen mensen dat verder gaat dan het afvinken van een formuliertje. Plus een aanklacht tegen het offeren van publieke en sociale verworvenheden op het altaar van de economie. Maar naar al die zaken moet je in dit boek veel te hard zoeken.

    • Maartje Somers