Conflict in Syrië splijt Golan

De Syrische Golan staat sinds 1967 onder Israëlische bezetting. Maar de inwoners voelen zich zeer betrokken bij de situatie in Syrië en zijn scherp verdeeld.

De Syrische geheime dienst was het makkelijk gemaakt. Op de door Israël geannexeerde Hoogvlakte van Golan vonden maandagavond tegelijk twee bijeenkomsten plaats. Wie tegen zessen de steile hoofdstraat van bergdorp Majdal Shams omhoog liep, naar het dorpshuis, toonde zich trouw aan het Syrische regime. Wie zich langs dezelfde keien naar beneden liet zakken, naar het theatertje, kwam uit voor zijn steun voor de Syrische opstandelingen.

De bloedige opstand in Syrië splijt de 21.000 Syriërs die op de Golan onder Israëlische bezetting leven. Dertig jaar lang herdachten zij samen de staking van 1982 uit protest tegen de Israëlische annexatie van de Golan. Deze week bleek dat het conflict tussen het Syrische regime en zijn oppositie de bestandslijn met Israël is overgestoken. Hand in hand met angst, geweld en propaganda.

In het dorpshuis hadden zich maandag, de avond vóór de herdenking, honderden Syriërs verzameld. Uren keken ze naar archiefbeelden op marsmuziek. Van de oorlog van 1967, toen Israël de Golan bezette, en de oorlog in 1973, toen Syrië een stukje heroverde. Bij beelden van de Syrische president Bashar al-Assad scandeerde het publiek vol vuur „God, Syrië, Bashar”.

Hoe anders was de samenkomst in de theaterzaal onderaan de berg. Daar bespraken een vijftigtal grijze heren en enkele jonge vrouwen met lippenstift en wufte krullen of wat sinds zich vorig jaar maart in Syrië afspeelt een burgeroorlog is, een revolutie mag heten, of als een opstand moet worden beschouwd.

De bijeenkomst in het theater werd geleid door Salman Fakherldeen. Hij werkt voor een lokale mensenrechtenorganisatie en is verklaard tegenstander van het Syrische regime. „Omdat het niet democratisch is, omdat het politieke tegenstanders vermoordt. Omdat het corrupt is.”

Hij wil er graag met de aanhangers van het regime over in discussie. Maar die weigeren, zegt Fakherldeen. „Tragisch en gevaarlijk”, noemt hij de scheuring binnen de kleine gemeenschap. „We leven onder bezetting, we hebben baat bij eenheid. Maar aanhangers van Assad zijn hier even weinig tolerant als in Syrië. Nog even en het ontaardt in geweld.”

Twee weken geleden gingen aanhangers en tegenstanders van het Syrische regime al met elkaar op de vuist. Bij pro-Assad demonstraties is opgeroepen tot een boycot van winkels van tegenstanders van het regime. Iedereen in Majal Shams kent elkaar. Iedereen weet: de apotheker is voor Assad, de veearts tegen. Vorig weekeinde vernielden Assads aanhangers in de nacht de auto van een criticus van de president.

„Niks aan de hand”, zegt de Syrische journalist Ata Farhat, die Assad onverholen steunt. „Kleine kinderen” hadden de auto vernield, aldus Farhat. „Ze zongen liedjes voor Assad en iemand maakte bezwaar. Maar we hebben het dezelfde nacht opgelost.” Door de auto van een politiek tegenstander te vernielen? „Dat is iets tussen de mensen hier”, aldus de journalist, „niet voor de pers”.

Ook de Israëlische politie wordt buiten de onderlinge onmin gehouden, en bemoeit zich er vooralsnog niet mee. De politie weet ook dat als er één ding is dat de Syriërs op de Golan bindt, het afkeer van Israël is. Bijna niemand heeft een Israëlische identiteitskaart geaccepteerd.

Toch is Israël sinds de onrust in Syrië niet meer de opperste boeman voor Farhat. „Syriës grootste probleem is de samenzwering tegen ons van Qatar, Turkije en Saoedi-Arabië, de Verenigde Staten en Europa. Die wordt vooral uitgevochten door de Moslimbroeders. Zij doden burgers en soldaten in Syrië. Dat is het probleem. Niet het gebrek aan democratie, of onze president.”

Farhats huis hangt vol foto’s van Assad. Over hem niets dan goeds. „Hij kocht onze appels toen de markt in Israël instortte. En ik mocht in Damascus studeren wat ik maar wilde.” Farhat koos journalistiek en werkt nu als correspondent op de Golan voor de Syrische staatstelevisie.

Dolgraag wil Farhat buitenlandse pers doen geloven dat een meerderheid op de Golan achter Assad staat. „Tel maar hoe weinig mensen tegen de president demonstreren.” Hij zegt dat dorpelingen die de opstand steunen „onderdeel van de samenzwering” zijn en dat ze dollars krijgen voor hun protest.

Maar mensenrechtenactivist Fakherldeen zat op de verjaardag van de staking van 1982 tegen Israël, dinsdag, voor het eerst in dertig jaar thuis. Net als alle andere inwoners van de vijf Syrische dorpen op de geannexeerde Golan die het Syrische regime niet steunen. Zij meden het dorpsplein waar Assads aanhangers verzamelden angstvallig. Bang voor geweld, als in hun vaderland.

Op het plein stonden voornamelijk mannen met borstelsnorren, puntschoenen, drollenvangers en witte hoedjes: religieuze druzen. Deze kleine van de islam afgescheiden gemeenschap staat achter Assad, die de reputatie heeft religieuze minderheden te respecteren. Verder wordt Assad hier volgens Fakherldeen vooral gesteund door lager opgeleiden „die niet begrijpen dat in een gezond politiek systeem opponenten met elkaar aan tafel zitten”.

Ehab, een 22-jarige ober en aanhanger van Assad, durft niet met zijn achternaam in de krant, maar zegt wel met andersdenkenden in discussie te gaan. „Ik vraag de verraders: waarom lieg je? Waarom zeg je dat het leger mensen doodt? Waarom praat je westerse tv-zenders als de BBC na?”

Ehab kijkt alleen naar de Syrische staatstelevisie. Die vertoont dezer dagen veel soapseries. Maar ook wordt daarop uitgelegd hoe buitenlandse media de opstand in scene zetten. Ehab gelooft dat. Assad zou het vermoorden van burgers nooit toestaan, zegt hij met grote ogen. „Bashar is een goede man. Hij zal de Syriërs op democratie voorbereiden en de Israëlische bezetting stoppen.”

Zelf heeft hij Syrië alleen vanaf de appelvelden achter het dorp zien liggen. Dus chat Ehab veel met een vriend die tijdelijk in Damascus studeert. „Is Syrië echt zo mooi als onze ouders zeggen?”, vroeg Ehab laatst. „Veel mooier nog”, tikte de vriend terug. Hij zag helemaal geen protesten tegen het regime. „Zie je”, zegt Ehab. „Niks aan de hand.”