Vertrouwde omgeving houdt scholieren binnen

In het beroepsonderwijs is de schooluitval nog altijd hoog. Twee schoolbesturen in de regio Rotterdam voegden het vmbo en het mbo samen. „Dit is de toekomst.”

15-02-2012, Bleiswijk. Melanchtonn business school, leerlingen tijdens bloemschikken met de kat op tafel. Foto Bas Czerwinski

In de lerarenkamer ligt Pluis vredig te snorren op de vensterbank. „Onze schoolkat”, grijnst adjunct-directeur André Molenaar van de Melanchthon Business School (MBS) in Bleiswijk. Normaal gesproken houdt het dier zich op in of rondom een van de tochtige werkplaatsen van de (v)mbo-school. „Maar hij is binnen ook welkom.”

Niet alleen dieren, ook leerlingen zijn gebaat bij een warme en een gastvrije omgeving. Zeker jongeren in het vmbo, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. „Hoe veiliger en vertrouwder de omgeving, hoe beter de leerling over het algemeen presteert’’, zegt MBS-directeur Jan Koelinga. Zijn school telt 372 leerlingen, van wie het merendeel het vmbo volgt: één van de vier vormen van voortgezet onderwijs in Nederland, die in 1999 ontstond na een fusie van de huishoudschool, de lagere technische school en de mavo.

Een gelukkig huwelijk is het niet geworden. In de publieke opinie geldt het vmbo als ‘het afvoerputje van het Nederlandse onderwijs’. Ten onrechte, stellen Koelinga en Molenaar, maar zij weten waar het beroepsonderwijs dat imago onder andere aan te danken heeft: de relatief hoge schooluitval. „Na het vmbo gaat het vaak mis, omdat de overgang naar het mbo voor heel veel leerlingen simpelweg te groot is”, zegt Molenaar.

Uit cijfers die minister Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) gisteren naar de Tweede Kamer stuurde, blijkt dat ook. Het aantal voortijdige schoolverlaters in Nederland is de laatste tien jaar weliswaar bijna gehalveerd, maar is nog altijd groot: vorig schooljaar (2010-2011) verlieten 38.600 leerlingen hun opleiding zonder diploma. Ruim een derde (35 procent) daarvan struikelt bij de overgang van het vmbo naar het mbo, schrijft Van Bijsterveldt. Wie na vier jaar slechts een vmbo-diploma op zak heeft, beschikt niet over een zogeheten startkwalificatie en is op de huidige arbeidsmarkt vrijwel kansloos. Werkloosheid ligt dan in het verschiet.

Om de uitval verder terug te dringen, wordt her en der in Nederland geëxperimenteerd met zogeheten vm2-opleidingen: een geïntegreerde beroepsopleiding van vmbo en het begin van het mbo. In de regio Rotterdam hebben twee schoolbesturen, Melanchthon en Edudelta, gebruik gemaakt van de mogelijkheid om twee schooltypen samen te voegen. Sinds 2008 kunnen ‘basisberoepsgerichte vmbo-leerlingen’, onder meer op de MBS in Bleiswijk, een mbo-diploma halen voor de twee laagste niveaus van het mbo (niveau 1 en 2). Zij kunnen dan in één keer door naar niveau 3 van het middelbaar beroepsonderwijs. Vorig jaar is de eerste lichting afgestudeerd. Ongeveer de helft is doorgestroomd naar het mbo, de andere helft vond een baan in bijvoorbeeld de techniek, de zorg of de landbouw.

Het kabinet beoogt het aantal schoolverlaters in 2016 te hebben teruggedrongen tot 25.000 per jaar. Van Bijsterveldt heeft haar hoop daarbij onder meer gevestigd op de vm2-aanpak, liet zij gisteren weten. Zij wil het wettelijk mogelijk maken dat meer opleidingen kiezen voor zulke geïntegreerde beroepsstudies. Vanaf volgend jaar is jaarlijks 150 miljoen euro beschikbaar voor initiatieven zoals die in Bleiswijk.

Melanchthon-directeur Harry van Alphen begrijpt het enthousiasme van de minister. „Dit is de toekomst”, zegt hij. Ook op de zeven overige vestigingen introduceert hij de komende jaren gecombineerde beroepsopleidingen. „Door leerlingen langer vast te houden en perspectief te bieden, voorkom je dat ze op zestien- of zeventienjarige leeftijd denken: mooi, ik ben klaar met leren, ik ben volwassen, ik ga lekker werken.” Die denkfout wordt nog maar al te vaak gemaakt, weet Van Alphen. Ook door ouders. „Het zijn doe-leerlingen. Die willen zo snel mogelijk aan de slag. En als ze al doorstromen naar het mbo, komen ze terecht op van die roc-leerfabrieken in de grote stad. Daar zijn ze tot hun eigen schrik niet meer dan een nummertje te midden van duizenden andere leerlingen. Kinderen verdwalen in zo’n omgeving, zowel letterlijk als figuurlijk.”

In Bleiswijk onderschrijft adjunct-directeur André Molenaar die woorden. Om de kracht van de nieuwe onderwijsopzet te benadrukken, vouwt hij zijn handen ineen. „Wij noemen het de zwaluwstaartaanpak, omdat we vmbo en mbo niet ‘koud’ op elkaar stapelen, maar de mbo-lesstof door de opleiding heen hebben verweven.” Met voor ouders en leerlingen daarnaast als voordeel dat de opleiding niet zes maar slechts vijf jaar duurt.

Davey van Milligen (17) en Jeffrey van Rutten (17) kozen beiden voor de geïntegreerde beroepsopleiding en bleven dus langer in Bleiswijk. Een bewuste keuze, zegt Jeffrey. „Ik ben niet bang voor de grote stad, maar hier weet ik wat ik heb.” Hij kent zowel de school als de docenten. Als hij straks alsnog overstapt naar het mbo heeft hij bovendien al kennisgemaakt met de leerstof. „Je valt dus niet in diep gat.”

Davey noemt nog een voordeel: in tegenstelling tot veel van de vmbo-vakscholen hoeft hij pas in zijn laatste jaar een studierichting te kiezen. „Ik kan me dus breed oriënteren, voordat ik me vastleg, terwijl ik toch een jaar tijdwinst boek.”

Komend schooljaar begint in Bleiswijk ook een gecombineerde, vijf jaar durende opleiding die de overgang naar het hoger beroepsonderwijs moet versoepelen. Molenaar: „Bedoeld voor praktijkgerichte leerlingen die nu een havo-advies hebben en feitelijk niets anders kunnen dan naar die havo gaan. Terwijl ze ook met hun handen willen werken.”

    • Mark Hoogstad